This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves before it was carefully scanned by Google as part of a project to make the world’s books discoverable online.
It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that’s often difficult to discover.
Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book’s long journey from the publisher to a library and finally to you.
Usage guidelines Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying.
We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individual personal, non-commercial purposes.
and we request that you use these files for
+ Refrain from automated querying Do not send automated queries of any sort to Google’s system: If you are conducting research on machine translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attribution The Google “watermark” you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can’t offer guidance on whether any specific use of any specific book is allowed. Please do not assume that a book’s appearance in Google Book Search means it can be used in any manner anywhere in the world. Copyright infringement liability can be quite severe.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world’s information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers discover the world’s books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web al[http://books. google. com/]
Over dit boek
Dit is een digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheekplanken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is zo oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrechttermijn is verlopen. Het kan per land verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op automatisch zoeken.
Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niet-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commerciële doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het “watermerk” van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over het project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is voor gebruikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek rust, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google Het doel van Google is om alle informatie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit
allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken op het web vialhttp://books.google.co:
SPORE 4 3
ss ou
| Juuverst er er MICHIGAN: | GENERAL LIBRARY à
PUBLICATIONS
DE LA SOCIÉTÉ
HISTORIQUE ET ARCHÉOLOGIQUE DANS LE LIMBOURG
à MAESTRICHT.
me ee mme tem
TOME XLI.
NOUVELLE SERIE, TOME XII.
1907.
IMP. LEITER-NYPELS, MAESTRICIIT. 1907.
asus ste, A ST" II ÆAATITR
Eenige voorstellen gedaan voor het behoud der Oude Grafsteenen
door
A. J. A. FLAMENT,
in de Algemeene Vergadering van het Geschied- en Oudheidkundig Genootschap in Limburg, 4 April 1907.
Men kan m1. het volgende aanraden als de beste middelen:
1°. Nauwkeurige beschrijving, zoo mogelijk afbeelding en deze in druk uitgeven. — Steenen met ingehouwen voorstelling en letters kan men op dun papier met zwarte was gemakkelijk calqueeren (1).
N.B. Geen heilzamer middel om wandalisme te voorkomen dan zulk eene beschrijving en publiekmaking. —
2o, Bekend maken van verwijdering en verminking van graf- steenen, vooral als daar te voren voor gewaarschuwd is.
3°. Er op werken dat voorzorgsmaatregelen worden genomen, dat deze steenen niet uitslijten of beschadigd worden:
a. door deze, zoo mogelijk, in de muren, binnen de kerk, in den omgang, het portaal of de sacristie te metselen, of zoo dat niet goed mogelijk is:
&. door ze in een gedeelte der kerk of omgang te plaatsen, waar men niet er over loopt;
(2) Zoogenaamde schoenmakerswas, Americaansche was.
— A —
ce. door ze te bedekken met een mat of kleed of, zoo mogelijk, ijzeren roosters, gelijk bijv. te Rolduc.
Hier volge eene niet geker! volledige opgave van oude graf- steenen van vóór 1800 die beschreven zijn. 1. Volledig zijn beschreven:
a. De grafsteenen te Gennep, Well, door Pastoor M.J. Janssen, in de Maasgouw.
b. Van Breust en Eysden en op het oude kerkhof te Wijk door Pastoor van Wintershoven te Eymael in de Maasgouw, jaargang 1904—1905.
c. In de Kathedrale kerk te Roermond door wijlen J. B. Sivré, archivaris aldaar, in dl. XVI der Publications.
d. In de kerk en op het kerkhof te Klimmen door Dr Schoen- : makers, in di. XLII der Publications.
e. In de oude abdijkerk te Thorn door A.J. A. Flament, in dl. IT van den inventaris der archieven van de Vorstelijke abdij Thorn. OO
f. In de oude abdijkerk te Susteren en de kerk van Grons- veld en Sittard en op het kerkhof der Hervormden aldaar door denzelfde.
Verder zijn beschreven door wijlen Pastoor J. Habets in de Publications dl. VI, X, XVI en door Pastoor Janssen te Meerlo en À. J. A. Flament, in de Publications di. XXIX en in de Maasgouw 1839—1905 (door beide laatsten zijn de wapens volledig beschreven) grafsteenen te
Amstenrade, Arcen, Baerlo, Borgharen, Baexem, Beek, Berg-en- Terblijt, Bemelen, Broeckhuysen, Broeckhuysenvorst, Bunde, Elle, Elslo, Geulle, Geysteren, Grathem, Gulpen, Heer, Heerlen, Helden, Heythuysen, Hoensbroeck (op ‘t kasteel), Holtum, Houthem, Horst, Ittervoort, Kessel, Limbricht, Maasbree, Meerssen, Mheer, Neer, Nieuwstad, Noorbeek, Nuth, Oerlo, Oirsbeek, Oud-Valkenberg, Roosteren, Schin-op-Geul, St. Pieter (kerkhof, St. Lambertuskapel en op Slavanten), St. Stevensweert, Steyn, Venlo, Venray, Voeren- dael, Wynantsrade, Wylre-Oud-Vroenhoven. De meeste dezer steenen zijn met wapens versierd, ja bijna alle zelfs.
Verheven graftomben zijn te Gronsveld, St. Servaas en St. Jan
— 5 —
te Maastricht, en het Munster te Roermond (met beelden, behalve te Gronsveld).
In den muur gemetselde steenen met beelden ex relief te Geysteren, Horst, St. Servaas- en O. L. Vrouwekerk te Maastricht, Rolduc, Sittard, Susteren, Thorn, Wynantsrade.
Liggende steenen met beelden ex relief in het Rijks-archief te Maastricht en te St. Stevensweert.
Idem met ingegrifte afbeeldingen in O. L. Vrouwe «en in het Rijks archief te Maastricht.
Goed verzorgd zijn de steenen te Borgharen, Geysteren, Holtum, Limbricht, Nieuwstad, Rolduc (oude abdijkerk), op het Prot. kerkhof te Sittard, tc Susteren, te Wijnantsrade, die te Heer in de oude kerk, eenige te Horst, en in de O. L. Vrouwe kerk en St. Servaas te Maastricht, eenige in de parochiekerk te Sittard.
Vooral wijs ik hier op den treurigen toestand der grafsteenen in de oude Dominicanen-kerk te Maastricht.
Bijdrage tot de geschiedenis der Schatkamer van St. Servaas te Maastricht
door
Jhr M: VICTOR DE STUERS.
1. HET VERKWANSELEN VAN VIER RELIQUIEËNHOUDERS UIT ST. SERVAASKERK TE MAASTRICHT IN 1846.
Het is bekend dat de kunstschatten van St. Servaaskerk veel hebben te lijden gehad van de bestorming en de plundering van Maastricht door de troepen van den hertog van Parma in 1579, en nog veel meer ten gevolge van de inneming der stad door de Franschen in 1794. Het kapittel werd opgeheven, de kanunniken werden verstrooid en zij namen tal van voorwerpen uit de schat- kamer mede, zich vleiende dat de Franschen eerlang verdreven en het kapittel hersteld zouden worden. Die hoop is ijdel gebleken ; alleen is later de kapittelkerk weder voor den godsdienst bestemd geworden, doch nu als parochiekerk. Vele kanunniken of hun rechtverkrijgenden hebben toen de meêgenomen voorwerpen aan de St. Servaaskerk teruggegeven, doch veel is achtergebleven en spoorloos verdwenen.
Naderhand is de artistieke en historische kerkschat lange jaren „door het kerkbestuur met groote onverschilligheid behandeld; erger nog, daaruit zijn in 1846 vier van de voornaamste en kostbaarste voorwerpen op de domste wijze verkwanseld; in dat jaar toch zijn de vier gedreven reliquieënhouders uit de XII° eeuw, prachtig Maastrichtsch smeed- en emailleerwerk, met de beroemde Noodkist één geheel vormend, door den pastoor-deken P. A. van Baer aan een vreemden koopman verkwanseld geworden.
— 8 —
Eenige aanteekeningen door mijn vader in 1849, toen hij lid van Gedeputeerde Staten was, gemaakt, hebben mij op het spoor van deze allerdroevigste geschiedenis gebracht. Wat ik te weten ben gekomen volgt hier.
In een rapport van den Heen L. J. F. Janssen, Conservator bij het archaeologisch Kabinet te Leiden, over oudheidkundige naspo- ringen in Limburg, berichtte deze aan den Minister van Binnen- landsche Zaken ook, dat het bestuur der O. L. Vrouwekerk te Maastricht een aloud kunstig gedreven gouden reliquieënkastje voor fr. 15000 aan een Engelschman verkocht had, die het weldra voor meer dan het dubbele weder zou hebben overgedaan; en dat het voorwerp daarop voor fr. 100.000 in Rusland verkocht zou zijn. Dit feit boezemde den Conservator geen andere opmer- king in, dan deze, dat men hieruit kon afmeten hoe kostbaar het kunstgewrocht moet geweest zijn, en hoezeer het kerkbestuur zich benadeeld had door het te verkoopen zonder vooraf het advies van een deskundige te hebben ingeroepen.
De tijdelijke Minister voor de Zaken van den R. K. Eeredienst, Lightenvelt, hiermede door zijn ambtgenoot van Binnenlandsche Zaken in kennis gesteld, beschouwde de zaak van een ander oogpunt. Hij schreef den 7 November 1848 aan Gedeputeerde Staten van Limburg, dat de mededeeling in hooge mate zijne aan- dacht had getrokken, dat de kerkfabriek moest weten dat krach- tens het keizerlijk decreet van 30 December 1809 en art. 1 en 5 van het K. B. van 16 Augustus 1824 (Sb. ne 45) zulk een ver- vreemding de machtiging des Konings vereischte; en hij verzocht de fabriek ernstig te onderhouden en de zaak nauwkeurig te onder- zoeken, inzonderheid wat betreft oorsprong, vorm en waarde van het kastje, den naam des koopers, den tijd van den verkoop en de bestemming aan de koopsom gegeven; ook vroeg hij het gevoelen van den Kerkvoogd en van Gedeputeerden, ten einde te kunnen overwegen, wat te doen was om het geleden verlies te herstellen, althans de herhaling van dergelijke ongeoorloofde vervreemdingen te voorkomen.
= 9 —
Gedeputeerde Staten schijnen grond gehad te hebben om te vermoeden, dat niet de fabriek van ©. L. Vrouw, maar die van St. Servaas de delinquent was; zij brachten het verzoek om inlich- ting aan deze laatste over.
Het antwoord onderteekend door P. A. van Baer, en de Heeren Visschers, G. Tielens en Tripels doet aan de casuistiek van Escobar denken. De Heeren schreven „dat door het Kerkbestuur zulkdanig kistje niet alleenlijk aan niemand wie dan ook, is verkocht gewor- den, maar zelfs de mogelijkheid in het midden gelaten, dat zich intertijd onder andere kostbaarheden van het in 1796 gesuppri- meerde capittel van St. Servaas een gouden kistje kan bevonden hebben, dat de ondergeteekenden tijdens hun bestuur nimmer van het bestaan van zulk een kistje kennis hebben gedragen. Weshalve de vooronderstelde verkoop voor een louter verdichtsel te hou- den is.”
Na dit hooghartig antwoord stelden Gedeputeerden „par acquit de conscience” de vraag ook aan de fabriek van O. L. Vrouwekerk.
Deze berichtte den 1 December 1848 eveneens ontkennend en voegde erbij, dat zij-zich nooit zou durven „gewagen om goederen der kerk te vervreemden, zonder alvorens de goedkeuring van Gedeputeerden in te roepen,” verklaring welke die van St. Servaas wijselijk achterwege gehouden hadden.
Nu konden Gedeputeerden den 7 December den Minister ver- zekeren dat de beide kerken nooit zulk een kistje bezeten hadden, waarom zij het dan ook onnoodig hadden geacht den Kerkvoogd omtrent de zaak te raadplegen.
Lightenvelt verzocht Binnenlandsche Zaken hiervan kennis te geven aan den Conservator Janssen, en dezen te vragen „naar den „oorsprong van het tegen het betrokken kerkbestuur zoo geheel „ten onrechte ingebracht bezwaar.”
Janssen kon dit bedekt verwijt niet verdragen; hij schreef den 25 Juli 1849 aan den Minister dat het hem steeds bij al zijn onderzoekingen maar enkel om waarheid te doen was, naarmate hij dieper elke lichtvaardige beschuldiging verachtte; „naarmate ik mij, ofschoon de hervormde gezindheid van harte toegedaan, leven- dig bewust ben van ongeveinsde hoogachting voor de R. C. Zuster- kerk en haar waardige voorstanders, waaronder ik vrienden tel, en het is mij daarom van waarde thans een authentiek stuk te
— 10 —
kennen, tot volkomen verantwoording van mijn eenvoudig bericht.”
Dat stuk, hetwelk hij overlegde was een schrijven d.d. 15 Maart _ 1849 van Baron Michiels van Verduynen, raadsheer in het provin-
ciaal gerechtshof te Maastricht, aan den Heer Ch. Guillon, Secre- taris van de Kamer van Koophandel te Roermond. In dezen brief leest men:
„Pour en revenir à nos monuments de Maastricht, il se commet ici tous les jours des actes de Vandales; ainsi la régence a con- senti successivement à la démolition de l’église de St. Nicolas, de l’église de Ste Anne et maintenant de la porte de la ville de Notre Dame (*), qu’on va renverser dans peu; le goût leur manque! des connaissances ils ne les ont pas de ce qui est ancien.
„Cependant Mr van Baer remporte le prix sur tous! Avec un conseil de fabrique imbécile et sans énergie, il trafique du mobi- lier de l’église à volonté; ainsi le tableau ornant le maître-autel au petit Séminaire de St. Trond a été enlevé de St. Servais et vendu à cet établissement; plusieurs autres tableaux sont allés ailleurs.
„Il y a environ 2 ans, il s’est permis avec le consentement de sa fabrique de vendre à Mr Horn à Liége pour le prix de dix- mille francs, les 4 reliquaires renfermant les ossements de Saint Monulphe et Gondulphe (les reliques sont restées ici). Ces objets d’une valeur bien grande sous le rapport de l’art, de l’antiquité et de leurs souvenirs, ont été revendus par cet orfèvre à des brocanteurs anglais, qui viennent de les placer à l’empereur de Russie pour passé cent mille francs! et qu’a-t-on fait de cet ar- gent? acheté un dais pour la grande procession, et des chasubles et ornements de prêtres, fabriqués à Anvers, qui ont coûté, dit- on, 13 mille francs, somme qui a été parfaite de 3000 francs, outre les dix mille des ciselures que Mr ie curé-doyen a su trou- ver ailleurs; ces jours un journal hollandais (de Rotterdam) allant à tâtons a un peu attaqué Mr le curé, mais l’exacte vérité ne lui était pas connue.
„Ouvrez maintenant l’ouvrage de Mr Arnaud Schaepkens, qui est aujourd’hui à la 5° livraison de son Trésor de l’Art Ancien,
me ae en en ————
(4) Deze poort dagteekenend uit het begin der XIIIe eeuw, werd toen „in ver- band met” den aanleg van het Luiker kanaal doorgebroken en grootendeels vernield.
— 11 —
— Bruxelles 1848, planches 21 et 22 et du texte page 19, et vous y verrez les 4 coffrets représentés et leur exacte description.
„Cet artiste termine ainsi son article: „ces quatre ciselures ex cuivre rouge doré, travaillées au repoussé, émaillées et ornées de pierreries, sont appliquées contre des boîtes en chêne de petite dimension et s’ouvrant à clef du côté opposé à celui que représente notre planche. Pour le travail et le style, elles ressemblent à la grande chässe (de St. Servais), avec laquelle elles ont encore de commun la date de leur exécution. De l’autel ancien qu'elles or- naient, détruit par des restaurateurs iconoclastes au commence- ment du XIX° siècle, il ne restait plus rien que la grande châsse et nos quatre reliquaires, que nous croyions désormais sous la sau- vegarde de l'esprit éclairé de nos jours. Cependant, malgré leur valeur comme monuments de l’art, de l’histoire nationale et ecclé- siastique, ces quatre volets, inséparables de la châsse de St. Servais, ont disparu du trésor de cette église. Nous sommes heureux de pouvoir par notre travail en conserver le souvenir à la Belgique”.
» Voici Monsieur ce qu’il vous faut; il est temps que l’homme en question soit nommé, qu’il soit placé au pilori de l'opinion publique et un bon et fort article de journal lu en Hollande et à Maestricht sera peut-être le seul bon remède pour donner une autre direction à ses idées dévastatrices et le corriger de son brocantage de ce qui ne lui appartient pas.
„Toutefois personne ne pense ici qu’il empoche de ces ventes, mais il l’emploie en futilités; son caractère absolu et entêté le fait dominer le Conseil de fabrique qui souscrit en autorisant toutes les opérations; voilà, Monsieur, un de ces hommes, que le Gouvernement Hollandais (probablement pour le mal qu’ils font) a décoré du Lion Néerlandais”.
Deze verontwaardigde brief van iemand, die — zooals Janssen opmerkte — „uit hoofde van zijne hoog achtbare rechterlijke betrekking en maatschappelijken stand niet wel geacht kon worden in staat te zijn om zich te vernederen tot lichtvaardig verspreiden van valsche berichten”, maakte indruk op den nieuwen Minister voor de zaken van den R. C. Eeredienst, Mutsaers. Ofschoon — zoo schreef hij den 1 Augustus 1849 aan Gedeputeerden — het niet duide- lijk uit dit stuk blijkt of de daarin vervatte bijzonderheden betrek- kelijk den verkoop van vier kunstig bewerkte reliquieënkastjes ook
— 12 — van toepassing waren op den verkoop van het bewuste gouden kistje, is de inhoud echter zoo bezwarend, dat de eer der autori- teiten en inrichtingen die bij deze zaak betrokken worden, alsnu vordert dat de waarheid in een helder daglicht worde gesteld en het duidelijk blijke of het tegen de kerkfabriek ingebrachte be- zwaar, ook met opzicht tot andere kunstvoorwerpen al dan niet gegrond is. De Minister verzocht dus een nader nauwkeurig on- derzoek, ten einde deze zaak niet slechts in het belang van kunst en oudheid, maar ook in dat van een goed beheer der kerkelijke goederen zn verband tot de bestaande verordeningen overtuigend worde opgehelderd.
De Gouverneur van Limburg droeg den 8 Augustus 1849 dit onderzoek aan het Gemeentebestuur van Maastricht op Hij tee- kende daarbi aan, dat wijl het niet denkbaar was dat teekeningen en text van den heer Schaepkens fictief waren, de kerkfabriek zich bepaald zou hebben te verantwoorden of die 4 kastjes thans nog onder de kerkgoederen aanwezig waren, terwijl, bijaldien zulks niet het geval mocht wezen, zij behoorde op te geven:
1°. of de bedoelde 4 reliquaires weleer tot de kerkgoederen van St. Servaas hadden behoord;
2°. of zij met voorkennis van de fabriek zijn vervreemd;
3°. of de vervreemding plaats had aan den heer Horn te Luik voor fr. 10000.
Den 22 Augustus 1849 vroegen Burgemeester en Schepenen aan Pastoor en Kerkmeesters van St. Servaas inlichting en ant- woord punt voor punt. Zij hadden de naïveteit er bij te voegen dat „voor zoover de heeren tot opheffing van allen twijfel rakende de voorwerpen welke thans bedoeld worden, overigens mochten verlangen inzage te nemen van het aangehaalde werk met teeke- ningen van den heer Schaepkens, zoo geliefden zij indachtig te zijn, dat dit werk in de stads-bibliotheek (toegankelijk alle werk- dagen vóór den middag) aanwezig was”.
Nu kwam eindelijk de aap uit den mouw!
Den 10 September 1849 schreef het Kerkbestuur van St. Ser- vaas den volgenden brief, een monument van domheid:
„Die vier houten kasties of reliquairen voorzien van eene ko- peren vergulde bewerkte plaat en inhoudende de gebeenten van de heiligen Monulphus en Gondulphus hebben voortijds werkelijk
— 13 —
tot de geriefelijkheden (!) van St. Servaas behoord, doch enkelijk als losse op zich zelve staande en onbestemde (!) voorwerpen; terwijl de zooeven vermelde gebeenten bewaard blijven in eene grootere daartoe ingerichte kist, welk volgens oude gewoonte jaarlijks met plechtigheid in genoemde kerk omgedragen wordt en gedurende acht dagen uitgesteld blijft.
„Gemelde vier kastjes zijn nu drie jaren geleden, door het Kerkbestuur bij ruiling vervreemd geworden, en men draagt geen kennis van de plaats waar dezelve zich thans bevinden.
„Deze vervreemding heeft echter niet plaats gehad aan den heer Horn te Luik, die, ware zijne Ed. thans niet afwezig, wel- licht eene verklaring zoude hebben overgelegd, uit welke tevens blijken zou wat te denken van de veronderstelde door de gedien- stige berichtgevers hartstochtelijk overdrevene waarde dier kastjes (1).
„Gezegde ruiling heeft zich toegedragen als volgt:
„De Fabriekraad namelijk, in de maand Juli 1846, overeenkom- stig art. 10 van het te Maastricht vigeerende Keizerlijk decreet van 30 December 1809 ter gewone vergadering bijeengeroepen, vernam uit een der leden (2), dat een vreemd reiziger, die na eenige dagen stond weder te keeren, niet ongenegen was de bedoelde houten (!) kastjes te koopen, of ook, het Kerkbestuur des verkiezende, tegen eenige nieuwe kerkelijke benoodigdheden in te ruilen (3).
„De Raad ten einde zich behoorlijk (!) in te lichten heeft voor en aleer desaangaarde te beraadslagen, die kastjes onverwijld in oogenschouw genomen en daarbij bevonden dat dezelve van een schier niets beduidende zguuerlijke waarde waren, maar enkelijk voor eenen minnaar van het oude eenige denkbeeldige waarde konden hebben (4). Waarop de Raad, in aanmerking genomen het algemeen gebruik, hetgeen in overeenstemming met art. 37 en 62 van gedacht Decreet medebrengt, dat de Kerkbesturen de
(1) Straks zal men zien hoe de heer van Baer cum suis die waarde naar beneden drijven. (2) Kennelijk pastoor van Daer. (3) Men heeft mij verzekerd dat daartoe hoorde een nieuwe japon voor het fraaie O. L. Vrouwe beeld thans vóór het choor staande. d. S. (') Dit kan men precies even goed van de reliquieën zeggen die in de kastjes zaten, d. S.
— 4 —
tot den Eeredienst behoord hebbende, doch overjarig (!!) gewor- den en buiten gebruik gestelde mobilaire voorwerpen door andere nieuwen doen vervangen, — gemeend heeft deze gunstige (!) gelegenheid niet te mogen laten voorbijgaan en gevolglijk met eenparige stemmen besloten heëft, een der leden (1) te mach- “tigen om namens het Kerkbestuur met gezegden vreemdeling bij deszelfs terugkomst in nadere onderhandeling te treden, en de ruiling van gezegde voorwerpen te voltrekken.
Weshalve dan ook de meergezegde opzichtens den kerkelijken dienst nietswaardige (!!) kastjes, benevens twee ongebruikte ouder- wetsche koperen luchters indertijd tot merkelijk voordeel (!) der kerk tegen nieuwe ontbrekende altaarbehoeftens zijn verruild geworden.”
Men merke op dat in dezen schandelijken brief opzettelijk niet van verkoop, maar van ruiling wordt gesproken, ten einde te kunnen verzwijgen dat de verkoop geschiedde tegen de som van fr. 8 à 10000 — welk bedrag de bewering van de nietswaardigheid der reliquaires zou hebben gelogenstraft; zoo ontkwam men ook aan het gevaar dat verantwoording zou worden gevraagd omtrent het gebruik van het geld gemaakt. |
Den 21 September 1849 zonden Gedeputeerden dit fraai stuk aan den Minister. Zij voegden er droogjes de volgende opmerkingen aan toe:
dat uit het onderzoek scheen te volgen dat de Kerkfabriek van St. Servaas in de onderhavige zaak de bepaling van art. 5 van het K. B. van 16 Augustus 1824 (Sb. N. 45) geheel uit het oog had verloren.
Voorts deelden zij eenige bijzonderheden mede omtrent den loop der zaak, welke hun van ter zijde waren verstrekt geworden, onder opmerking dat zij niet voor de geheele nauwkeurigheid konden instaan:
Indertijd zou zekere brocanteur in oudheden uit Brussel, ge- naamd Malfait met een collega bij den Pastoor van Baer zijn gekomen en hem 5000 fr. voor de vier reliquaires geboden heb- ben; volgens Malfait, vond de Pastoor dit bod zoo gering dat hij in geen verdere onderhandeling wilde treden;
(4) Kennelijk pastoor van Baer.
— 15 —
Daarna vervoegde zich bij den pastoor zekere Horn uit Luik, vergezeld volgens het beweren van Malfait van den Russischen prins Sottikof; zij verkregen de 4 reliquaires en namen die mede; de juiste prijs bleef onbekend, maar men moet natuurlijk veron- derstellen dat die hooger was dan het aanbod van Malfait. Thans zouden zich de reliquaires te Parijs bevinden in het Kabinet van prins Sottikof.
Den 11 Januari 1850 zond de Minister van Buitenlandsche Zaken, belast met het bestuur van het Departement voor de Zaken van de R. K. Eeredienst, dit rapport aan zijn Collega voor Binnenlandsche Zaken, met de opmerking „dat het geraden voorkwam thans in het gebeurde te berusten.”
Blijkens zijn antwoord van 17 Januari 1850 was het de Minister van Binnenlandsche Zaken hiermede eens, en zoo ging de zaak in den doofpot.
In het archief van St. Servaaskerk schijnt omtrent de geheele zaak zich niets te vinden!
Bekend is echter dat de opbrengst heeft gediend o. a. tot aankoop van een stel miskleederen en van een kleed voor het O. L. Vrouwebeeld.
Ook staat vast dat op de auctie van de verzameling van Prins Sottikof te Parijs in 1861, de 4 reliquaires met een 5® werden aan- gekocht, men zegt voor den spotprijs van fr. 6250, niet door het Nederlandsch, maar door het Belgisch gouvernement. Zij vormen thans een der voornaamste sieraden van het Musée in het Parc du Cinquantenaire te Brussel. Heden ten dage zouden zij gemak- kelijk het tienvoudige opbrengen.
Later heeft de Deken van St. Servaaskerk Mgr. Rutten gedreven copiën doen vervaardigen door Wilmotte te Luik ad fr. 1500 per stuk, te samen dus voor fr. 6000. Daartoe heeft de Belgische regeering welwillend de origineelen tijdelijk naar Luik gezonden. Deze copieën versieren thans het altaar in de absis van St. Servaaskerk.
Ook bezit de kerk van twee dezer reliquaires galvanoplastische reproducties, terwijl de firma Cuypers en Stolzenberg te Roer- mond, gips afgietsels gemaakt heeft.
— 16 — 2. HET GOUDEN KRUIS MET IVOREN CHRISTUS.
Deze reliquieënhouder, een der schoonste en kostbaarste voor- werpen uit St. Servaas’ schatkamer, is door Bock en WILLEMSEN beschreven op bldz. 115 en vlg. van hun Axtiguités Sacrées.
Kennelijk hebben zij dezen reliquaire niet geopend; anders zou- den zij niet op bldz. 119 gezegd hebben dat hij ,oudtijds” reli- quieën bevatte. Dat de reliquieën, welke blijkens het opschrift er in behooren, er thans nog aanwezig zijn, is op 18 October 1906 geconstateerd, toen het kruis geopend en onderzocht werd in tegenwoordigheid van Mgr. H. L. A. SEVRIENS, Geheim Kamer- heer van Z. H., Pastoor-Deken van St. Servaaskerk, J. N. H. C. RAMAKERS, kapellaan, schatbewaarder, M. RUTTEN, kapellaan, Rector van het R. K. Weeshuis, Jhr. Mr. VICTOR DE STUERS en BERNHARD WITTE, Pauselijk goudsmid uit Aken.
Uit dat onderzoek is het volgende gebleken:
Het kruis bestaat uit: 1° een houten kern, de reliquieën bevat- tende; 2° een gouden plaat welke de voorzijde van het houten kruis bedekt en de zijkanten omsluit; 3° een zilveren plaat de achterzijde bedekkend. De eerste plaat is met gouden, de tweede met zilveren spijkertjes vastgehecht.”
Midden op de voorzijde is een ivoren Christusfiguur, waarvan de armen ingelaten en met een lijmstof bevestigd zijn geweest; de benedenhelft der beenen ontbreekt; het corpus is aan het kruis gehecht door middel van twee met steenen versierde spij- kers, door de handen gaande en van een groven vertinden spijker kennelijk in lateren tijd door de borst geslagen (en die nu ver- wijderd is geworden).
De versiering van den rand bestaat vooreerst uit 13 geëmail- leerde strooken, allen nog aanwezig; vervolgens uit 35 steenen, zooals blijkt uit de gouden klauwen waarin zij gevat zijn geweest, want de steenen zelven zijn verdwenen, uitgenomen N° 6 (dat echter rood glas schijnt te zijn) en Ne 25 (Zie Fig. 1). Misschien zijn die steenen voor en na uitgedeeld aan devote vereerders der reliquieën.
De kroon van Christus, aan de gouden plaat vastgehecht, telde oorspronkelijk 3 steenen; thans zijn slechts N° 38 en 39 aanwezig. Daarboven is een amethist (N° 36). Twee andere amethisten
OT —
(N° 40 en 41) bevinden zich aan het uiteinde der handen; terwijl onder de voeten een grieksche intaglio {N° 42) Is, vertoonende een krijger, niet zooals sommigen meenen, den god Mars. Eindelijk ziet men aan het boveneinde van het kruis een Tvor- mige opening, gesloten met een gelijkvormig gouden plaatje; sommigen willen dat daar oorspronkelijk een stuk bergkristal in gezeten zou hebben, waardoor men de reliquieën kon zien; doch
dit schijnt mij ongerijmd; vooreerst waarom moet dit kristal een T of Tauvorm hebben? dan, men zou van de reliquieën nage- noeg niets te zien hebben gekregen. Ik ben overtuigd dat in die opening een ivoren relief heeft gezeten, voorstellende de zege- nende hand Gods, komende uit een wolk. Deze voorstelling is daar ter plaatse gebruikelijk, en daarmede klopt de vorm der opening goed.
De gouden kruisvormige plaat heeft een omgeslagen rand, welke het
2
ET
des Prado Armes
houten kruis omklemt en daaraan met gouden spij- kertjes bevestigd is. Deze rand is aan de onderzijde van den langen arm weg- gescheurd; aan de bo- venzijde ruw doorboord, toen men in lateren tijd aldaar een zilveren ring instak, dien Bock en WILLEMSEN nog vermel- den (bldz. 119), doch die thans verdwenen is.
Beschouwt men de keerzijde van de gouden plaat, dan ziet men 18 openingen, waarin de emailstrooken, de vier groote steenen en het Tvormig gouden plaatje met kit gevat zijn (Fig. II).
De zilveren kruisvor- mige plaat welke op de achterzijde van het hou- ten kruis met zilveren nageltjes gehecht is, ver- toont in gedreven ma- juscels het volgend op- schrift, dat wij hier geven, omdat het door Bock en WILLEMSEN niet geheel nauwkeurig overgeschreven is:
— 19 —
SUB HAC CRUCE CONTINENTUR RELIQUIE DE LIGNO DNI DE SEPVLCHRO DNI DE (craticul)A S. LAURENTII. S. FELICIS EPI S. PAULINI EPI S. C(or)NELII PAPE SCI PAULINI DIAC.
Het houten kruis is vervaardigd uit een enkel stuk hout, doch de (heraldisch) linker arm is ten gevolge van een scheur langs a—b geheel los (Fig. ID.
Aan de voorzijde is het in den vorm van een kruis uitgehold en in die uitholling bevinden zich reliquieën gewikkeld in drie sterk samengeperste pakken A, B en GC, waarvan de twee eerste met gouden, de laatste met zilveren spijkertjes aan den bodem bevestigd zijn. Deze nog volkomen gaaf bevonden hechting doet vermoeden dat deze pakken sinds zij daar geplaatst werden, on- aangeroerd zijn gebleven; het schrift der daarin aangetroffen documenten is klaarblijkelijk dat der XI° eeuw (1). Deze dagteeke- ning stemt vrij wel overeen met die welke Bock en Willemsen voor het reliquaire-kruis aannemen, namelijk de X° eeuw.
De drie pakken zijn gemaakt van fragmenten uit een zelfde stuk zijde, welke van Arabischen (wellicht Siciliaanschen) oorsprong is. Het patroon bestaat uit groote en kleine zittende leeuwen in licht-bruin op een licht-geelachtigen grond; daarnaast een blauwe strook met arabische karakters.
Het pak A bevat een perkamenten briefje 1 en vijf kleine pakjes 2—6, inhoudende reliquieën. Fig. IV stelt pak A geopend voor.
Het briefje 1 heeft het volgend vierregelig opschrift: Lignu dni Paulini epi Felicis epi Paulins diac. d.i. Hout van den Heer (= van het Heilig Kruis)
(gebeente) van bisschop Paulinus » » » Felix » „ diaken Paulinus.
(1) Vergelijk dat van het H.S. van ongeveer 1084 van Gregorius van Tours, de gloria martyrum, PI. XXI in E. Reusens, Ekments de Palographie.
— 920 —
Het pakje 2 van witachtige stof (byssus?) en met zijden draad omwonden bevat twee kleine stukjes been a en b, licht-bruin van kleur en glad aan de oppervlakte en voorts een splinter week hout, licht-geel van kleur. Fig. V stelt het pakje geopend voor. Een document is er niet bij aangetroffen.
Het pakje 3 van gelijke stof met bruinen draad omwoeld, bevat eenige zeer kleine partikels geoxydeerd ijzer en stof en twee perkamenten strookjes. Op het eene:
De craticula S'i Laurentti d.i. van het rooster van St. Laurentius.
Op het andere dat doormidden gescheurd is:
De sepulcro dui d. 1. van het graf des Heeren.
Om dit pakje is thans een nieuw zijden omhulsel gedaan.
Het pakje 4 van roode zijde is gebonden met een witten draad, welke een perkamenten strookje omsluit, waarop te lezen is:
De ligno dui, d. 1. van ’s Heeren Kruis.
Door betasting is geconstateerd dat zich daarin een hard voor- werp bevindt.
Het pakje 5 van dezelfde stof als 2 bleek ledig.
Het pakje 6 van dezelfde zijde als 4 is niet geopend geworden, het opschrift op het daaraan gebonden perkamenten strookje was onleesbaar.
Pak B bevat een blauw-zijden pakje omwonden met een rooden en een witten draad; het is niet geopend geworden, wijl de inhoud aangegeven werd door een perkamenten strookje, waarop geschreven stond: De ossib. S“' Cornelii pape, d.i. van de gebeenten van den H. Cornelius, paus.
Pak C bevat een pakje van witte stof (byssus?) gesloten door een witten draad. Daarin zijn eenige kleine fragmenten van been- deren aangetroffen, doch geen document.
Alzoo is de aanwezigheid geconstateerd van de volgende reliquieën vermeld op zilveren dekplaat:
de ligno domini in pak A 4. de sepulcro domini „ A3. de craticula St Laurentii „ À 3. de ossibus SU Cornelii papae „ B
— U —
terwijl de reliquieën de ossibus SU Felicis episcopi, St Paulini episcopi en S' Paulini diacont zich blijkbaar bevinden in de pakjes A 2 en 6 en C.
De aanleiding tot het bovenomschreven onderzoek was het welwillend aanbod van mijn broeder, Ridder de Stuers, Harer Majesteits Gezant te Parijs, om op zijn kosten het kruis te doen restaureeren.
Deze restauratie en de herplaatsing van al de ontbrekende steenen zijn met veel zorg uitgevoerd door den heer Witte bovengenoemd, die van de gelegenheid heeft gebruik gemaakt, om het Christusbeeldje en den intaglio af te vormen.
3. DE PAX.
Een van de delicaatste kunstvoorwerpen bewaard in de Schat- Kamer van St. Servaaskerk te Maastricht is wel de pax door Bock en WILLEMSEN beschreven in Axntiguités Sacrées, blz. 211.
Deze schrijvers meenen dat dit stuk uit de XVI° eeuw dag- teekent en geven te verstaan dat het uit Keulen of uit Vlaan- deren stamt.
Dit moge waar zijn voor wat aangaat het goudsmidswerk, het- welk veel overeenkomst heeft met het lepeltje uit de collectie Rothschild afkomstig van de familie van Slype en thans in het Britsch museum; doch het schilderwerk op glas komt mij voor Îtaliaansche arbeid te zijn, dit blijkt uit den stijl en uit de costumen.
4. TRIUMFBOOG-BALK.
In de Schatkamer wordt een houten kist bewaard, aan alle zijden versierd, met beeldwerk, namelijk nissen waarin de borst- beelden der apostelen; arbeid uit het laatst der XV° eeuw.
Dr P. J. H. Cuypers heeft met zijn bekende scherpzinnigheid ontdekt dat deze kist samengesteld is uit een dier balken welke
—_ 29 —
in vroegeren tijd in den triumfboog geplaatst werden tot onder- steuning van een grooten crucifix en van de beclden van ©. L. Vrouw en St Jan. Waar deze balk vandaan komt is onbekend, wellicht uit St. Jacobskerk. | "Het ware wenschelijk de kist uit elkaar te nemen en de stuk- ken wederom tot een balk samen te voegen.
“NIUVHONOY AA 21103 ANNAIONY
“NHIVHONOG IA 251107 INNAIONV,1 JA ANIIZIN]
Notice sur des pierres tombales de Borgharen, par le Ber RAPHAËL DE SELYS-LONGCHAMPS. |
En décembre 1872, Jos. Habets, vicaire de Berg et Terblijt président de la Société Historique et Archéologique du Lim- bourg, publiait dans le Tome X (1873), des Publications de cette Société un travail sur l’ancienne Seigneurie de Borgharen. Au $ V page 462, il décrit une pierre tombale placée par Philibert van Isendorn à Blois, dans l’église de Borgharen.
En 1886, alors archiviste de l'Etat dans le Limbourg, il ayait exprimé le désir de voir placer cette pierre dans la tour de la nouvelle église, qui allait être construite.
(B) Quand nous avons eu connaissance du projet d’érection d'une nouvelle église à Borgharen, l’ancienne étant trop petite, nous avions proposé d'élargir les deux côtés du vaisseau, pour conserver le choeur três ancien et la tour, mais les plans étaient faits et la construction décidée.
Pendant la démolition, malgré la promesse faite, on était en train de casser la grande pierre tombale. J’arrivai par hasard, soixante morceaux à l’état de moëlons étaient déjà préparés pour servir d’empierrement. On donnait pour excuse, le mauvais état de la pierre et l’impossibilité de l’enlever. Je fis porter tous ces débris en lieu sûr.
L’Abbé Habets fut excessivement peiné de cette destruction; je lui promis de tâcher de reconstituer la pierre.
Grâce à la description qu’il en donne page 462 et avec l’aide du maçon Jos. Hoebreck de Borgharen, nous avons réussi à tout remettre en place.
(1) Par suite du décès de la comtesse de Brigode Kemlandt, née Léonie Baronne de Rosen de Borgharen, morte le 11 décembre 1885, ses enfants, le comte de Brigude Kemlandt et mon épouse héritèrent de la propriété de Borgharen.
— U —
La pierre, dans les parties intactes, avait de quarante cinq à cinquante centimètres d'épaisseur; ce qui nous a forcés de faire un grand coffre en planches et madriers, dans lequel, nous avons mis, d’abord les gros morceaux à leurs places. Puis nous nous sommes servis de briques et de ciment pour caser les plus petits à la hauteur voulue.
Le travail terminé, nous avons placé cette pierre tombale dans la tour sud du château de Borgharen pour la mettre à l’abri des intempéries.
Cette pierre, en calcaire bleu de Visé, mesure 2 m. 55 sur 1 m. 45; elle se trouvait, quand on a démoli l’église, à l’entrée, côté nord, en partie sous les bancs; elle était déjà alors en plusieurs morceaux.
Au centre se voient les armes de Philibert van Isendorn à Blois, et celles de sa femme Adelaïde van Agris.
Sur le côté droit de la pierre et en haut sont figurées les armes des Isendorn et en dessous les quartiers de sa famille; sur le côté gauche de la pierre et en haut sont figurées les armes des van Agris et en dessous les quartiers de sa famille.
Monsieur le Ber Louis de Crassier a bien voulu me commu- niquer la généalogie de Philibert d’après Lefort, 1 Partie XII, page 99 (1). Ce tableau permet d'établir que les armes sont placées sur la pierre d’après le système Allemand et le tableau des 16 quartiers doit se présenter comme ci-contre (2).
(1) Les écussons étant numérotés de haut en bas d’un côté de la pierre 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, vcici le schéma du système Allemand que Mr le B'" Louis de Crassier a tracé pour l'établissement des tableaux des quartiers.
1—5 3—7 2—6 A—8 ss, me” ms, mn” mmm, mn” mmm, mm” | | | | 1 3 2 4 nn, nee” mn, nes”
1 2 —- mn TT 1
(+) La partie du tableau entourée de pointillés correspond à la généalogie d'après LEFORT.
Treo ee mme eee am mr sx
+ “Ta
EDE TTE Oi u ON |
aes, A) D, ii, ge
Ke GE
| " 7,
; ij ‘ is ‘|
À | ij IN 2) iN ARC a fl ld if
MRE
i RE cyGà DE
£ DOR A
ej 1
æ =? ‘
se 7 ! NÉ:
Lit ul KETAN
mn men - ame «
ALL
UTD LET 111}
Lun =
Well
À! É Se ] 4 Ni EDELEN -GESTRENGEN HEER | | RESTE | PLISERT „VANYSENDORNA BLS DOC} : Fi. VRY-HEERVAN:BORGHARENINYTE + cn @ & COLONEL:VAN-BENREGIMENT |'5) f TE VOETETC-STEAR - DEN PS, WELEDELEN- FRENTD EVGENRYCKE | Zfvrana: ADELHEYDA VAN AGRIS | \ VRONWE-VAN-BD RGH AREN-BTCSTER M OPEN D), LNCRETIA - GEBORENDEN-29JAN1 639 | 7-5 [STRRE:1- FEB 164 4. GERTRVYT / sesoaen. DEN-18 -JAN:1641-STERF-DENDE 4 NOVEMS. 165 3 + FRANS CEBOREMDE 'LAIVNKI6S4-ST ERF-DENISSVNYIES 4-
FT(T4
DD
DE LEE EAN
hand _
POLANEN
ETR
a ma Ll RIRE
SSSR
NZE Tei Ii 1 lee
m7
EAU ER ba UN) ELTA LLL LLT?
4) NI . + ù
x mn ' ARS RENAN EE TT MARNE Fort LU 4 /,
SOL IAS UN DCS did dr IDO
Pierre tombale de PHILIBERT VAN ISENDORN A BLOIS et d'ADELAIDE VAN ÀORIS son épouse.
— 97 —
Description des blasons de la Pierre tombale.
Côté droit (d’après Rietstap). |
ISENDOORN A BLois. Gueldre, de gueule à 3 pals de vair; au chef d’or.
Cimier: un lion rampant de gueule accosté de 2 flam- beaux de sable virolés d’or et allumés de même.
Lambrequin d’or, de gueule et d'azur.
Support 2 lions au naturel.
NULANT. Ingennulandt (van), Gueldre: d’argent à la fasce entée de gueule. Casque couronné.
Cimier: un renard issant de gueule posé de front. Col- leté d’une fasce entée d’argent, tenant de chaque patte une boule d’or.
GIESSEN. Giessen (van), Brabant. De sinople à 2 saumons adossés d’or accostés de 9 croix recroisetées au pied fiché du même (souvent les croix manquent).
Cinier: Les saumons, les têtes en bas, posés en chevrons renversés. |
GEND. Gendt (van), Gueldre. D’argent à la fasce de gueule fret- tée d’or.
Cimier: un levrier d’argent, colleté de la fasce du champ assis sur un chapeau de tournoi d'argent; retroussé de gueule ou un levrier arrêté d'argent colleté d’or.
PERYN. Persyn (van), Hollande, Flandre. Fascé d'or et d'azur, les fasces d'or chargées de 9 flanchis de gueule, 4, 3 et 2. Casque couronné.
Cimier: un flanchis de gueule entre un vol coupé alter- nativement d’azur et d’or.
(1) DAESDONC. Daesdonck (van), Brabant septentrional. D'hermine au sautoir de gueule.
Cimier: 2 cornes de bouguetin d'argent.
POLLANEN. Pollanen (van), Utrecht (seigneurs de Polanen issus de la maison de Wassenaer). D’argent à 3 croissants de sable. Casque couronné.
Cimier: Un vol de bannerets d'argent chaque aile char- gée de 3 croissants de sable rangées en pal.
(1) Sur la pierre ce sont des feuilles au lieu d’Hermines.
— 928 —
D'apres la description de Habets, mais sur la pierre
BRUHESEN on ne peut lire que OWL. 2 OWI ? … 0 Trois cornets sur fond?
Deux et un. Côté gauche.
AGRIS. Originaire des provinces rhénanes: de gueule à la fasce brétessée et contre-brétessée d’or. Cimier: 2 chiens de gueule colietés de la fasce de l’écu. KIPSHAVEN. Westphalie: d’or au sautoir alésé de sable, les ex- trémités arrondies, casque couronné. Cimier: une tete et col (2) de chien braque de sable. Roo. Rohe, Westphalie: de gueule au sautoir d'argent. BOETBERG. (3) Boetbergen (van), Westphalie, Gueldre, Utrecht, Flandre: d'azur au chef d'argent chargé de 3 merlettes de gueule, casque couronné. Crmier : une tete et col de loup d'azur colleté aux armes du chef. HERTEVELT. Hetevelt (van), p. d’Utrecht: d'argent au cerf ram- pant de gueule. SPAEN. Spaen, province rhénane: d'azur à 3 boucles de gueule, casque couronné. | . Cimier: une patte d’ours de sable en pal empoignant une boule de gueule. Spaen, Westphalie: d'argent à 3 anilles de sable. Cimier: une anille de sable. Sur la pierre l’écusson n’existant pas, je n’ai pu jusqu’à présent déterminer quelles armes il faut choisir. ..... ici le blason est indiqué sur la pierre mais le nom n'est pas lisible. TTEL. Till (van), Gueldre: de gueule à une flèche d'argent, ac- costée de 2 annelets du même.
(1) Habets dans sa description inscrit BRUHESEN, or sur la pierre on lit d'une manière certaine seulement oWI.
Il paraît que Monsieur l'Abbé Coenegracht, aumonier à Reckheim a lu . . OWIES ainsi que Monsieur le Ben Louis de Crassier qui ont vu la pierre encore en place en 1885.
(2) Consultez RIETSrAP.
(®) Voyez la note à la page suivante.
— 99 —
Cimier: un cygne issant d'argent béqué de gueule, le vol levé, tenant en son bec un annelet d’argent. Supports, deux griffons regardant au naturel. Il y a plusieurs divergences entre l’inscription de Habets et celle qui se trouve sur la pierre. Habets inscrit (page 402)
A GRIS sur la pierre AGRIS. ROE KIPSHAVEN. BOTTER Roo. HERTEVELT (1) BOETBERG. ss HERTVELT. SPAEN SPAEN. Ti | TIEL.
Maintenant, dans un caveau de la cave du château de Borg- haren, (reposant sur 3 barres de fer scellées dans les murs), se trouve un grand cercueil de deux mètres neuf centimètres de long, très simple en quartiers de chène de 4 à 5 centimètres d’épaisseur, garni de fortes menottes en fer.
Il contient d’abord le’ corps momifié d’un homme de grande taille; par sa position on voit qu’il a été placé directement dans ce cercueil et n’en a pas été déplacé.
Les restes de divers squelettes ont été mis après, dans ce même cercueil, par suite de la désagrégation de plusieurs autres cercueils dont les débris reposent aussi sur les barres de fer.
On peut reconnaître la tête d’un homme âgé, d’après l’usure des dents; celle d’une femme et les os pariétaux d’un enfant tout jeune.
D’après la tradition ce sont les restes de membres de la famille d’Isendorn à Blois devenus protestants.
Je crois que si Habets ne le dit pas, c’est qu’il était réduit aux conjectures; c’est l’impression que j'ai eue, quand je lui en
() Sur la pierre À vrai dire on ne peut lire que BO..E, mais Monsieur le baron Louis de Crassier a trouvé dans le recueil de généalogies Cortenbach, aux archives de Maestricht, l'alliance suivante:
Adrianus Boedbergh in Wancham uxor... A. Thijll circa 1500 à 1550 et comme les armes sont concordantes, c'est Boedbergh qui est le nom exacte.
Sur la pierre on a gravé des canettes au lieu de merlettes.
__ 30 —
ai parlé. Au reste, lors de sa visite, le caveau était complètement muré; Je l’ai fait ouvrir depuis, et an y a placé une porte fermant à clef.
Quoique persuadé que c'était bien des membres de la famille d’Isendorn qui se trouvaient là, je n’en avais pas la preuve matérielle.
Dernièrement, voulant me rendre compte, si on pouvait recon- stituer les cercueils dont il ne restait que des débris, j’ai fait sortir du caveau les planches et les huit menottes qui s’y trou- vaient. On n’avait jamais vu d’inscription sur ces planches quand elles se trouvaient dans le caveau, mais après les avoir nettoyées avec soin, nous avons pu lire sur une du couvercle longue de 2 mètres, l’inscription suivante, peinte sur le chêne à la couleur jaune à l’huile:
DEN HOOCH EEDELEN WELGEBOOREN HEER
PHILIBRT VAN ISENDOREN . A BLOIS VRI HEER
VAN BORGHAREN HEER VAN A:GERIS
ORAEDT EN DE METS GEWEESEN LIEUTENANT
COLLONEL TEN DINST VAN HAREN Ho: Mog: DE HEREN STAETEN
GENERAEL DER VEREENICHDE NEDERLANDEN ETC. STARF DEN ii OCTOBRIS 1677
ICK HEBBE DE GOEDE STRYT GESTREDE iCK HEBBE DEN LOOP GEEYNDICHT ICK EBB.....
le restant manque.
Sur la seconde planche du couvercle de même longueur on voit peintes en couleurs les armes d’Ísendorn à Blois surmontées du haume couronné, lambrequin, supports (deux lions), le tout très bien conservé et bien exécuté.
Donc c'est bien le couvercle du cercueil de Philibert van Isendorn. Tout porte à croire que le fond et les côtés étant tombés en pourriture, on placa la tête du vieillard dans le grand cercueil noir.
Quant aux quatre autres planches, longues de 1.84 mètre, elles appartiennent à un 2° cercueil dont le fond manque.
Sur l’un des côtés du couvercle on lit, assez difficilement, parce que les lettres sont peintes en noir sur le chêne, inscription suivante :
° — 1 —
HOCH + EDELE WEL : GEBOREN
VROWE + MEVROWE : ISENDOREN
ABLOYS * GEBOREN VON AGRIS
VROWE « VAN : BORG-HAREN AGRIS HOF | EN : ORAEDT : STERF : 21 OBRIS 16.5. Les deux derniers chiffres de l’année sont douteux.
Sur l’autre pianche du couvercle se trouvent accolées dans le même ovale, les armes des d’lsendorn à Blois et d’Agris, sur- montées de la couronne, ayant comme support d’un côté le lion et de l’autre la levrette, colletée des armes des Agris, le tout en couleur.
Ce cercueil est celui d’Adelaïde van Agris et la tête de femme qui se trouve dans le grand cercueil noir doit être la sienne.
Enfin il y avait encore dans le caveau le panneau de tête, celui du bas et deux côtés d’un petit cercueil long de 0.55 mètre. Par ses dimentions il n’a pu contenir que les restes d’un enfant nouveau-né.
Si nous jettons maintenant les yeux. sur la pierre tombale, elle a été exécutée et placée évidemment du vivant de Philibert et de sa femme Adelaïde, car les dates de décès sont restées en blanc. Quant à Lucretia née le 29 janvier 1638, morte le 1 février 1644, donc âgée de 6 ans, ou Gertrude née le 18 janvier 1641, morte le 12 novembre 1653 donc âgée de 12 ans, nous n'en avons pas trouvé de traces. Ont-elles été enterrées dans l’église ? Au reste, Philibert n’a pris possession de Borgharen qu'après 1650. Quant à Franz, figurant le dernier sur la pierre, né le 12 juin 1654 et mort le 18 juin 1654, donc 6 jours après, ses restes appartiennent au petit cercueil. -
Entre cette dernière inscription et le dessous de la pierre, il y a, ainsi qu’on peut le remarquer, un grand espace vide destiné à inscrire d’autres défunts. En effet, Philibert avait 10 enfants (1).
Enfin quant au grand corps reposant dans le cercueil noir, ce doit être celui de Wolter, fils aîné de Philibert.
(1) Habets page 463 met en note: celle-ci et suivante sont probablement nées à Borgharen mais inscrites dans les régistres de Maestricht par l’absence d’une com- mune protestante à Borgharen.
— 32 —
Comment se fait-il que la pierre se trouvant en 1885 dans l’église, les cercueils soient dans les souterrains du château?
Diverses hypothèses peuvent être faites, mais jusqu'à présent aucune n’est complètement satisfaisante. |
Philibert était protestant tout au moins à la fin de sa vie.
Il y a bien à Borgharen un calice portant d’un côté les armes d’Isendorn, une couronne et supports et de l’autre celles de sa femme d’Agris; et au-dessous du calice l’inscription:
PHILBRT VAN ISENDORM A BLOIS VRY’HEER VAN BORCHAEREN EN ADELHEIDA : VAN : AGRIS VRYVROVW VA BORCHAEREN NIET SONDER GODT : DEN 29BER 1674.
Quand à Wolter certainement il était protestant. Enfin si on rapproche les dates:
Philibert fait son testament le 12 février 1675, sa femme vit encore (1). Il meurt d’après toute vraisemblance en automne de 1678 (2).
Wolter Frans van Isendorn à Blois, seigneur de Borgharen, l’ainé des fils, est mis le 25 juillet 1679 à La Haye en possession de la seigneurie de Borgharen consistant en: château, justice, pêche, moulins, chasse, prés (paturages), fermes, digues, cens, dimes etc. (3). Wolter meurt au commencement de 1680 (4).
Son frère Willem lui succède mais son règne fut court, car les créanciers et la plupart des héritiers réclamèrent la vente de la seigneurie de Borgharen: les premiers pour être payés, les seconds pour sortir d’indivision. Par sentence du 23 mai 1680 le Conseil de Brabant à La Haye déclare que les messieurs et les. demoiselles d’Isendorn doivent remettre à l’acquéreur de Borg- haren tous les papiers, chartes, régistres et documents du château ainsi que l’horloge, les clefs de la prison, les chaines du pont-levis, la cuve de la brasserie et toutes les autres choses, qu’ils ont em-
portées (5).
(1) Page 462. (?) Page 462. (5) Page 464. (*) Page 464. (6) Habets, page 465.
— 33 —
Il est bon de rappeler ici ce que dit Habets, page 408 (M.
Philibert achête le château en 1647, il le restaure et s’y établit en 1648. Il fit de grandes dépenses non-seulement au château mais à la ferme et aux murs d’eau de l’étang (en effet ses armes et celles de sa femme se trouvaient incrustées dans le mur de la ferme, et se trouvent encore avec la date de 1676 dans le mur d’eau de l’étang près du pont).
Il avait dû emprunter de grands capitaux, entre autre à J. Vos- terman, trésorier de la ville de Maestricht.
En 1673 à la mort de Philibert, Wolter son fils, ami de Vos- terman, cherchait à épouser Hélène, fille de Vosterman. C'était une belle personne et grande héritière. Il lui fit beaucoup de cadeaux, mais n'ayant pas été accepté il se brouilla avec le vieux Vosterman et Hélène épousa le 12 février 1679 le baron Willem van der Heyden à Blisia (2).
On voit par ce qui précède que les relations devaient être très tendues entre vendeurs et acquéreur, tant pour les questions d’in- téréts et de rivalité que de religion.
Déjà lors de l’occupation de Maestricht par les Hollandais en 1632, les partis armés avaient parcouru les villages du Pays d’Outre-Meuse et beaucoup d’églises furent pillées.
Depuis le 26 décembre 1661 la seigneurie fait partie des Etats de Hollande; l’année suivante en 1662, Isendorn remplace le prêtre catholique par un ministre protestant.
Les fenêtres (3) de l’église sont brisées, l’autel détruit et le prêtre catholique est écarté.
Le 22 septembre 1671 le sacristain, maître d’école et lecteur de la paroisse de Borgharen se plaint même aux Etats-Généraux de ce que Isendorn s’est fait remettre les clefs de l’église.
Après la prise de Maestricht par Louis XIV en 1673, Isendorn quitte pendant quelque temps Borgharen et le culte catholique est rétabli.
Lors d’une visite décanale (4) faite le 5 octobre 1673 il est
(1) Habets, p. 408.
(2) Habets, 424.
(8) Probablement les vitraux.
(*) Voir à la fin de l'article page 84.
— 34 —
constaté que le seigneur du village (Isendorn) a placé le mausolée de sa famille à la place du maître-autel (par mausolée on doit comprendre la pierre tombale).
Dans ce cas, en vertu d’un article du concile de Trente qui défend d’enterrer des hérétiques dans les églises, a-t-on porté les restes de l'enfant au château quand on a rétabli le maitre-autel ? Ce n’est là qu’une supposition.
Par suite de la paix de Nimègue (10 août 1677) les troupes durent quitter le Pays; le sémultaneum fut décrété dans le pays d’Outre-Meuse et appliqué à Borgharen quoique toute la popu- lation fut catholique.
Enfin survinrent la mort de Philibert puis de son fils Wolter, en 1678 et 1680, et la vente en 1680.
D'après tout ce qui précède, je pense que Philibert, sa femme et son fils Wolter n’ont jamais été sous la pierre tombale de l’église, mais ont été, peut-être provisoirement, placés dans le caveau du château où ils sont restés depuis lors, et que par respect pour les morts, les propriétaires qui se sont succédés depuis n’ont pas voulu profaner leur sépulture.
Monsieur le Baron Louis de Crassier a bien voulu me donner la traduction de la visite décanale du 5 octobre 1673, publiée dans le „Geschiedenis van het Tegenwoordig Bisdom Roermond” Tome III p. 353, publié par Habets, à la fin de sa vie 1892. (Habets est mort le 22 juin 1893). Visite décanale: Borgharen, année 1673 le 5 octobre l’église de Borgharen fut visitée.
Philibert Isendorn à Blois est collateur, c'est lui qui possède les grandes dîmes.
La réparation de la nef de l’église est à la charge du seigneur temporel, la cloche banale est également à sa charge. Il n’existe pas de saitre-autel, le seigneur du village y a placé le mausolée de sa famille (Dominus temporalis apposuit ibi mausoleum suae familiae) et a érigé un nouvel autel.
Les hérétiques sont le seigneur temporel et sa famille qui habite en partie ici (Haren) et en partie Maestricht.
PIERRE TOMBALE DE GÉRARD VAN BORNEM, ALIAS VAN MÉRODE.
— 35 —
Dans le choeur de l’église de Borgharen se trouvait encore une grande pierre tombale dont la partie supérieure manque. Elle est actuellement dressée contre le mur du cimetière. Jai fait rem- placer la partie manquante par un appareil de briques et de ciment et fait placer un petit toit pour la préserver de la pluie.
Cette pierre en calcaire, longue de 1.90 sur 1.185 mètre de large et 0.30 d’épaisseur, porte les armes des Mérode traversées par la bande de bâtardise, surmontées du haume couronné et lambrequins.
Sous les armes on voit un ange limbé les ailes à moitié ouvertes tenant entre les mains un objet qui n’est plus reconnaissable, car la pierre est fort usée par le temps et le passage des personnes lorsqu'elle était dans l’église. Au dessus de cet ange se trouve une banderole sur laquelle on peut lire:
Got trust der Zele en caractères gothiques.
Aux quatre angles de la pierre on voit dans un rond les attri- buts des Evangélistes et sur la bande de pourtour, on peut à peu près lire aussi en caractères gothiques:
Alias Merad Scoltet Harre sterf A° XVXXXV den VI dach in Januarie... (4)
Habets page 488 donne [inscription suivante: Hier licht begraven Gerit van Bornem alias Merode, scoltet van Haren, sterf anno XVe XXXV den VI dach in Januarie.
Got trust der Zele.
Nous donnons du reste une reproduction de la pierre.
Ce Gérard van Bornem alias van Merode était borggrave et receveur de Haren après lan 1500 et bailli depuis 1507. C'était le fils naturel de Koenraed Gérard Scheiffart van Merode, seigneur de Bornhem, Borgharen, Wilre et Nijenrode, il était déjà à l’école de Borgharen en 1483 et mourut le 6 juin 1535.
Je n’ai pas retrouvé la tombe de Jean Printen qui se trouvait dans l’église, ornée de 2 blasons avec l’inscription:
() Monsieur le Chevalier DE STUERS croit lire VI dach in Februario.
— 36 —
Ici est enterré le noble Johan Printen, borge(meister tot Tricht) mort 1540 le 10 octobre.
J'ai aussi recueilli d’autres débris de pierre tombale en même temps que ceux qui provenaient de celle d’Isendorn, portant des caractères gothiques. Je ne sais s’il y aura moyen de déterminer pour qui elle a été faite, car beaucoup de morceaux manquent.
C'est peut-être la pierre de Reiner Scheiffart van Merode, mort vers 1507 ou 1508 (1).
En tous cas elle était probalement placée dans l’église sur le passage des fidèles, car sauf les lettres en creux aucun dessin n’est visible sur les fragments.
Quand on a démoli la tour de léglise, on a trouvé dans les fondations une pierre grossièrement sculptée dont je donne une reproduction. Cette pierre très lourde en calcaire de Maestricht a 0.29 mètre de haut, 0.34 mètre de long.
Elle a pu appartenir soit à des fonds baptismaux ou avoir fait saillie dans un mur d’une église plus ancienne.
Monsieur le Chevalier de Stuers croit que c’est le support d’un pilier encadrant la porte de l'Eglise primitive existant vers 1100.
ee ee
En démolissant la tour on a trouvé dans le sol un cullot de métal de cloche.
Or Habets, page 495, donne l'inscription de la grosse cloche placée en 1699 ainsi que celle dela petite placée également en 1699.
À cette époque les cloches étaient ordinairement coulées sur place, ce qui explique la présence de cette scorie de bronze.
Dans le cimetière, Habets a trouvé une grande amphore gallo- romaine, lors de la démolition de l’église; il l'a déposée au musée de Maestricht au Petit Staat. Une autre a été brisée par les ouvriers.
Je termine cette petite notice par la reproduction de l’ancienne église de Borgharen, décrite par Habets, page 494.
(1) Habets page 442.
PIERRE SCULPTÉE TROUVÉE DANS LES FONDATIONS DE L'ÉGLISE DE BORGHAREN.
_ 31 —
Le maître-autel portant les armes des Blisia a été brûlé ainsi que d’autres objets de l’église lors de incendie de la grange de la ferme où on les avait placés, pendant la construction de la nouvelle église.
Monsieur Julien Fraipont, professeur à l’université de Liége, a bien voulu venir examiner les squelettes du caveau, le 11 oc- tobre 1906.
Dans le grand cercueil noir sans inscription, qui doit ètre celui de Wolter van Isendorn, il a constaté que le squelette complète- ment momifié n'avait pas été déplacé. Enveloppé d’un linceul dont l'étoffe était encore collée à la peau, il reposait sur un lit de paille de seigle. La tête était appuyée sur un coussin de toile bordé de guipures (d’après un fragment) et rempli de foin ou plutôt d’arrière-foin. Sur la poitrine se trouvait un nocud de soie noir bien conservé. Le corps était entouré de houblon et de feuilles de lauriers; ce qui, joint à la grande sécheresse du caveau, explique la conservation.
Monsieur Fraipont a alors retiré de ce cercucil les parties des autres squelettes qu’on y avait mis. Nous avons replacé le. les osse- ments correspondant à ceux du vieillard, dont les machoires sont presque dépourvues de dents dans le cercueil de Philibert. Les ossements indiquent un homme fort. Une anomalie anatomique qui. n’est pas très commune est à signaler: une côte double en forme de fourchette; 2°. les restes d’une femme âgée d'après la den- ture, de petite taille: les bras, le corps et une partie des jambes sont aussi momifiés; les cartilages du larynx sont admirablement conservés; 38°. les os pariétaux, minces comme une feuille de papier seuls restes que nous ayons trouvés de la tête du petit Frans mort après avoir vécu 6 jours, ont été places dans le petit cercueil.
J’ai puisé, ainsi qu'on le voit, la plupart des renseignements
pour cette petite note dans l’ouvrage de l'abbé Habets. 3
— 38 —
Monsieur van de Casteele, directeur des archives de l'Etat à Liége et Monsieur Hijnens, instituteur en chef à Borgharen ont bien voulu en traduire certains passages.
Monsieur Flament, archiviste de l'Etat dans le Limbourg à Macstricht et Monsieur le Baron Louis de Crassier m’ont égale- ment fournis des renseignements précieux.
Eenige bijzonderheden omtrent straten, pleinen en bewoners van het oude Tricht,
DOOR
Jures SCHAEPKENS VAN RIEMPST.
De arbeid, dien ik de eer heb den lezers van de Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg aan te bieden, zal wel, als zijnde eene compilatie uitsluitend van locaal historisch belang, door niemand als door Maastrichtenaren gelezen worden
De schrijver is Maastrichtenaar en min of meer bekend als ijverende niet alleen voor de belangen zijner geboortestad in het heden, doch ook voor de eerbiediging van hare traditiën en van de materieele historische overblijfselen van haar zoo bij uitstek belangrijk verleden. Hij heeft lief het hedendaagsche Tricht, gelijk het Tricht van weleer en strekt die liefde uit tot het Tricht der toekomst in zooverre die toekomst zal gebaard worden door het verleden en het heden.
Waar dus èn lezer èn schrijver uitsluitend stadgenooten zijn, daar moge de laatste zich „en famille” wanen en tot de eersten, die hij als geestverwanten beschouwt, een gemoedelijk inleidend woord neerschrijven en verklaring geven van zijn arbeid.
Hoe het denkbeeld dat bij hem voorheerschte ontkiemde, lang- zamerhand tot rijpheid kwam en zich eindelijk in een besluit omzette ?
Het zij kem vooral vergund dit nader toe te lichten aangezien hij aanspraak maakt noch te zijn geschiedvorscher, noch geschied- schrijver.
— 46) —
Vandaar dan ook dat hij langen tijd zeer huiverig was om eene taak te ondernemen die voor een liefhebber-historicus als zeer zwaar kan betracht worden.
Niettegenstaande het bewustzijn dat het moeielijk is een arbeid van eenige historische waarde te leveren — daarvoor is het tijds- verloop dat hij zich aan de studie onzer locale geschiedenis wijdt te kort — niettegenstaande zijne onvoldoende belezenheid en on- dervinding, waagt hij het, daartoe aangemoedigd van bevoegde en hooggeachte zijde, zijn arbeid te doen verschijnen.
Jhr. Victor de Stuers was het die na inzage genomen te hebben van een tiental behandelde straten het denkbeeld opperde om de compilatie in de Publications te doen verschijnen. Met zijne critische aanmerkingen en toevoegingen werd met dankbaarheid rekening gehouden. Jammer dat eene ziekte hem belette den geheelen ar- beid in te zien.
Ook van den heer Dr Doppler vermocht de schrijver aanmoe- diging en nuttige wenken te ontvangen; hij betuigt ook hem daar- voor zijne erkentelijkheid.
+ *k *
Toen de schrijver dan jaren geleden in het bezit kwam èn van de beide boeken van de Annales de la Société Historique et Archéo- logique à Maestricht (1854—1858) èn van de Publications de la Société Ilistorique et Archéologique dans le Limbourg (1859 thans tot 1906), nu vormende 43 lijvige boekdeelen, ondernam hij daarvan in zijn ledige uren de systematische lezing en voelde hij zich vooral bijzonder geboeid door de menigvuldige studies, die daarin vaor- komen, betrekking hebbende op de geschiedenis van Tricht.
Verbaasd over den schat van wetenswaardige bijzonderheden die op dat gebied daarin te vinden zijn, strekte hij zijne lectuur uit tot de collectie van de AZaasgouw, de Annuatres de la province de Limbourg (1825 —1831), de historische ‘schetsen in het Jaarboek voor het Hertogdom Limburg, enz, enz. en besteedde hij schier dagelijks, zonder bepaald doel, eenigen tijd aan het verzamelen van annotitiën, betrekking hebbende op de rijke, schatrijke geschiedenis van het oude Tricht, dat door zijn lijden, door de kranigheid, den vrijheidszin, de beginselvastheid van zijne poorters eene zoo aan- trekkelijke figuur is, helaas zoo weinig bekend, ja zelfs geheel ongekend buiten den zeer engen kring van enkele vakmannen.
— Ai —
Vaak ontwelde hem de verzuchting: hoe is het mogelijk dat die kostbare materialen daar schier ongelezen en vooral onbenut blijven liggen! Door een kundig schrijver verzameld en geordend ware daarvan eene boeiende en leerrijke „Geschiedenis van het oude Tricht’ samen te stellen, eene taak, tot nog toe door nie- mand op eenigszins ruime schaal ondernomen of aangedurfd.
Schrijver dezes betreurde het dat hij niet jonger was en dus de daartoe noodige kennis, ervaring en belezenheid onmogelijk meer kon opdoen.
Hij bepaalde er zich dan toe een kijkje te geven op het Tricht van voorheen; misschien zal het eenige belangstelling wekken bij het gewone lezende publiek.
* *
Die gedachte kwam tot rijpheid bij de bestudeering van de laatste jaargangen der Publications waarin Dr Doppler, meest in regestvorm (verkorte inhoud), gedeeltelijk in extenso, uitgegeven heeft de sche- penbrieven van het Kapittel van St. Servaas te Maastricht. Ofschoon Pastoor M. Willemsen van 1865 tot 1868, en G. D. Franquinet in 1870 en 1877 eene loffelijke poging tot publiceering van oude stukken waagden; — de eerste toch deed zulks met 310 schepen- brieven van het St. Servaas-kapittel (1); de laatste met een 410- tal van het O. L. Vrouwe kapittel, benevens in 1877 met den cijnsregister van O. L. Vrouwekerk (?) — komt aan Dr Doppler ontegenzeggelijk de eer en de hooge verdienste toe de schepen- brieven van St Servaaskerk op systematische wijze volledig te hebben uitgegeven.
Begonnen in deel XXXVI (jaargang 1900), is het aantal daar- van in deel XLI[ (jaargang 1906) tot 1526 geklommen.
Die benedictijner arbeid, omvattend het ontcijferen van de aan ieder tijdperk eigen schrijf- en spelwijze, het weergeven in regest- vorm in onze tegenwoordige taal van de latijnsche en oud-neder- duitsche teksten; het in overeenstemming brengen van de middel- ceuwsche tijdrekening (3) met de hedendaagsche, wekte mijne
(') Publications de la Société Historique et Archéologique dans le duché de Limbourg, din. 11, I, IV, V.
(©) Mr G. D. FRANQUINET, Beredeneerde Inventaris der oorkonden en bescheiden van het kapittel van O. L. Vrouwekerk te Maastricht 1 (1870), II (1877).
(5) Zie P. Dorrrer, Bijdrage tot de geschiedenis der tijdrekenkunde te Maastricht in de Middeleeuwen in Publications etc, dl. XLII, p. 211.
— 42 —
bewondering en duidelijk trad de waarheid op den voorgrond van hetgeen de schrijver in een voorwoord (1) daaromtrent o. a. zegt: dat die schepenbrieven „onschatbare wegwijzers zijn voor de »middelceuwsche topographie”, dat zij ons „niet alleen bekend „maken met de namen der straten en pleinen en limieten onzer „gemeente, maar ons ook leeren kennen den historischen grond „dier namen en de veranderingen en wijzigingen door eerstge- „noemde in den loop der tijden ondergaan”; en elders (2): „Wat „schats die schepenbrieven bevatten, wat ontzaglijke rijkdom van „genealogie, oudheidkunde, kerk- en stadsgeschiedenis daarin op- „gesloten ligt, zal eenieder bevroeden die ze van nabij heeft „leeren kennen”.
De systematische bestudeering der schepenbrieven deed dan als in een kaleidoscoop, mij voor den geest verschijnen den toestand van het Tricht van weleer met zijne kerken, kloosters, kapellen, hallen, gasthuizen, oude binnenmuursche stads-poorten en om- walling, zijne militaire en burgerlijke constructiën, met zijne straten en pleinen geheeten met hunne oorspronkelijke namen, die zoo niet in uiterlijk aanzien, dan toch grootendeels en hoofdza- kelijk, in richting en ligging nog gebleven zijn wat zij waren. De vaak in hout getimmerde, met stroo gedekte, onregelmatig in de straat uitspringende woningen, de steenen huizen, steeds als dus- danig speciaal vermeld, de aanzienlijke mansta met de namen hunner bewoners en familieleden, gewone ambachtslieden of adellijke poorters, treden wederom te voorschijn na eeuwenlang aan de vergetelheid ten prijs te zijn geweest; verrassend is het hoe voorheen bestaande familienamen terug te kennen zijn in nog thans bestaande, hoezeer overigens zoo vele vóór- en familienamen zeer vreemd klinken.
Het verdient opmerking dat de eigenlijke familienamen eerst “sedert de XIVe eeuw in zwang geraakten en erfelijk werden. Vóór dien tijd werden de personen slechts met hunne voornamen aangeduid, waaraan weldra ter verduidelijking hun ambacht, hunne
man en
(1) Zie P. DorPrer, Schepenbrieven van hel Kapittel van St. Servaas te Haas- fricht in l'ublications ete, dl. XXXVI, p. 3.
() Idem, Schepenbrieven van het Kapittel van St. Servaas te Alaastricht in Publications etc. dl. XL, p. 844.
— 43 —
herkomst, een eventueele bijnaam werd toegevoegd, die na verloop van tijd als vaste familienamen, officieel burgerrecht erlangden.
De menigvuldige namen die een dorpsoorsprong verraden — er is schier geen dorp of stad in den omtrek welke niet een vertegen: woordiger te Tricht had — bewijzen wel dat ook in de Middel- ceuwen de immigratie naar de steden op groote schaal plaats vond, zoowel ter wille van het makkelijker leven en de grootere ver- diensten, als vooral omdat de burgers meer veiligheid achter hare sterke muren genoten dan de bewoners van het platte land, dat vaak afgestroopt en afgebrand werd Daarbij kwam nog de be- wonderenswaardige solidariteit, die de poorters onderling ver- bond — verplicht als zij zich gevoelden elkander te hulp te snellen op den roep: ,portere” (1) en gehouden als de overheid zich achtte om met al de kracht die de gemeenschap kon ont- wikkelen, partij te kiezen voor een medeburger die in den vreemde gekweld of verongelijkt werd. (Een merkwaardig voorbeeld daar- van wordt bij de Witmakersstraat verhaald).
Onze tongval, in onzen tijd van snobisme door enkele Maas- trichtsche families verwaarloosd (zij voeden zonder noodzakelijk- heid hunne kinderen op in het Hollandsch, een Hollandsch meestal dat de goede God hun moge vergeven!) wordt vaak in de schepenbrieven in vele typische uitdrukkingen en spreek wijzen teruggevonden.
Zonder dat daarvoor taalkundige regels geldig zijn zegt men b.v. thans nog even als weleer, dat iemand woont ep de Munt, op de Groote en Kleine Gracht, op de Jekerstraat, op de Bosch- straat enz., #7 de W. Grachtstraat (in den Gracht), in de Groote en Kleine Staat, #2 de Papenstraat, Wolfstraat, Spilstraat, Stok- straat enz De eeuwenoude gewoonte heeft zich blijkbaar voort- geplant.
Ofschoon, als tot mijn doel niet dienstig, de schepenen als on- derteekenaars, der brieven in mijn arbeid niet vermeld zijn, wor- den hunne namen vaak als burgers genoemd, en komen ook zij ons voor den geest die mannen uit families gesproten die van lieverlede tot pratriciërs opgeklommen waren, doch zich niet
(') Publications etc. di. III, p. 288.
— 44 —
schaamden een ambacht uit te oefenen; meest allen droegen ‘den naam van den gevelsteen hunner woning (1).
Fier en naijverig op hunne vrijheden en privilegiën, waren de Trichtenaren in de Middeleeuwen steeds één van zin daar waar het gold deze, met hunne burgemeesters aan ’t hoofd, zelfs met wapengeweld tegen onrechtmatige aanranding en willekeur te verdedigen. Tricht genoot dan ook in de Middeleeuwen groote welvaart, rijkdom en aanzien. De onzalige godsdiensttwisten van de XVIe eeuw maakten aan die eensgezindheid aanvankelijk een einde om weer na het beleg van 1579, voornamelijk bij dat van 1632, terug te keeren, om daarna bij gewijzigde toestanden over te gaan tot lijdelijke onderwerping aan eene ontzaggelijke overmacht.
Op slimme doch eerlijke wijze wisten onze voorouders van de XIVe tot XVIe eeuw partij te trekken van den naijver die steeds tusschen hunne beide „genadige Heeren ende Prinsen” heerschte om nu van dezen, dan van genen nieuwe privilegiën te bekomen die dan, ten einde de gunst en de genegenheid der Trichtenaren blijvend te verwerven, weldra ook door de andere partij verleend werden. ,
Bij troonsopvolging werd de nieuwe vorst nooit dan met een te voren afgesproken, beperkt aantal gewapende volgelingen bin- nen de stad toegelaten; hij was verplicht eerst in de St. Servaas- kerk plechtig de bestaande privilegiën onder eede te bekrachtigen en eerst na die hooge en indrukwekkende plechtigheid, zwoer het volk op zijne beurt, trouw en aanhankelijkhetd aan zijn nieuwen vorst.
(1) Ofschoon volgens verschillende geschiedschrijvers de stad reeds vanaf 12-9, ’t jaar waarin haar eerste ringmuur gebouwd werd, eene stedelijke organisatie bezat, werd deze eerst voor goed en op hechte grondslagen gevestigd in 1872 en een vol- ledig gemeentebestuur in het leven geroepen, bestaande uit twee schouten, veertien schepenen, twee burgemeesters en twee en twintig raadslieden. Ieder der beide na- tionaliteiten, de Luiksche en de Frabantsche. hadden voor de helft hun aandeel in deze magistratuur aan wiz de rechtspraak en de administratie was toevertrouwd: aan de schouten, als vertegenwoordigers der beide heeren en aan de schepenen het hooggerecht in civiele en strafzaken; aan de burgemeesters en aan zestien van de raadsleden het laaggerecht. Schouten en schepenen werden even als zes raadsleden van iedere zijde door de Souvereinen benoemd; de ambachten kozen vieren twintig candidaten waaruit de beide schouten ieder de overige zes raadsleden aanwezen. Ook de burgemeesters werden door de schouten uit den Raad benoemd. (A. ITABETS, Le plus ancien Registre aux résolutions du conseil conimunal de Maestricht (13868—13%9) p. 14).
De Magistraat nam ook steeds de grootste voorzichtigheid in acht in geval van oorlog van zijn Brabantschen vorst, vooral met derden, —- Maastricht bleef daarbij steeds ingevolge zijne rechten, neutraal — en stond dezen niet toe om in eens met zijn geheel leger over de Maasbrug te trekken, doch slechts met kleine gedeelten daarvan, die bij vijandige bedoelingen gemakkelijk zouden te bedwingen zijn. De gewapende ambachten waren als- dan op de stadsmuren en langs de straten, waardoor de troepen- afdeeling trok, opgesteld, terwijl de stadspoorten gesloten waren en slechts wederom tijdelijk geopend werden als de afdeeling de stad door de Duitsche poort verlaten had (1).
"+
Niet weinig aanmoedigend was het voor mij in deu loop mijner studie te ontwaren, hoe een arbeid als deze alreeds sedert eene haive eeuw als het ware verwacht en aanbevolen werd door mannen van gezag op archéologisch gebied.
Reeds in 1864 toch wees Alex. Schaepkens erop, niettegenstaande hij slechts in staat was een kijkje te nemen in den ongeordenden schat van Maastrichtsche archivalia, van hoeveel belang voor de locale geschiedenis de schepenbrieven en oude cijnsregisters onzer kerken en kloosters zijn; dat evenwel de zorgvuldige opbewaring dier eerbiedwaardige oude stukken tot weinig nut strekt. „Het is een „renteloos daar liggend kapitaal, ’t is een land dat geen vruchten „opbrengt, ’t is een schat in den schoot der aarde bedolven. De „oude archivalia zullen eerst wezenlijk nuttig zijn na hunne „publiceering” (2). En met kracht en overtuiging drong de schrijver aan op methodische vertolking, vooral van de destijds verstrooide en op verschillende plaatsen, zonder orde opgeborgen schepen- brieven van St. Servaaskerk en drukt hij de hoop uit dat ze mochten opgezocht en vertolkt worden. „Ces documents sont tou- „jours les bien venus pour l’un ou l’autre travailleur” (3). Elders
\; Zie merigvuldige daaraan herinnerende voorbeelden in mijn opstel „Zes Sieves de 1407 et 1408”, Public. XXXVII, p. 407, waar betrekking daarop hebbende op- schriften binnen de poorten geplaatst, medegedeeld worden.
(*) Publications etc, I, p. 60.
(3) Ibid, p. 69.
— 46 —
wees hij op de wenschelijkheid, dat gevelsteenen zorgvuldig be- waard en beschreven mochten worden (1).
Ook Franquinet (3) had het hoog op met de schepenbrieven als zijnde onschatbare wegwijzers op het gebied der locale ge- schiedenis en widdeleeuwsche topographie; hij zag toch in, dat het zijn officicele en nauwkeurige stukken door onbevooroordeelde tijdgenooten en ooggetuigen opgesteld, die niet vermoedden dat ze na eeuwen uit het stof zouden opgedolven worden om van toen- malige toestanden getuigenis afteleggen.
Jammer, zegt Pastoor Habets ($) „dat de straten en pleinen van „Maastricht nog geen geschiedschrijver hebben gevonden; het is „Anders wel een aantrekkelijk onderwerp”.
Aldus gesterkt in mijn opgevat voornemen, stelde ik orde in de talrijke annotitiën sinds jaren bijeenverzameld en trachtte ik ze tot één geheel te verwerken. Lang wijfelde ik omtrent de wijze waarop ik daartoe zou geraken; onvoorgelicht en zonder leiddraad ging het mij als velen: de overvloed van stof was voor mij een ware struikelblok; het woord van Boileau kwam mij voor den geest: „Un écrivain qui ne sait se borner ne saura jamais écrire”.
Eindelijk gaf ik aan eene bepaalde, vaste methode de voorkeur. Of het nu de beste is mag wellicht betwijfeld worden, ik hoop echter dat het geene slechte zal geacht worden.
Eerst is de oorsprong der straatnamen behandeld en, in zooverre die te achterhalen was, medegedeeld wat ik daaromtrent gevonden heb; vervolgens worden in anecdotischen vorm historische bijzon- derheden, aan iedere straat eigen, vermeld; bij het Vrijthof en de groote Markt moest ik ze, wegens haren grooten omvang, in af- zonderlijke rubrieken, ieder met een opschrift, splitsen; in één adem konden ze toch, noch geschreven, noch gelezen worden; kerken en kloosters liet ik meestal onbesproken; hunne, zelfs zeer beknopte beschrijving zou mij te ver gevoerd hebben; overigens bestaan daarvan speciale monographiën.
(1) Puôlicattions etc, II, p. 135.
(2) Beredeneerde inventaris der oorkonden en òescheiden van het kapittel van O. L. Vrouwekerk te Maastricht, berustend op het provinciaal archief van Lim- burg, di. I, p. 41.
8 De Maasgouw, Orgaan voor Limburssche geschiedenis, taal- en letterkunde, 1884, p. 1014.
— 4] —
Na in *t algemeen iets over de straten en pleinen gezegd te hebben, liet ik, de daarop betrekking hebbende, in chronologische volgorde gerangschikte aanhalingen volgen, uit de middeleeuwsche
-schepenbrieven en audere bronnen geput; daarbij bewaarde ik, voor zooverre ze vermeld zijn, zorgvuldig de origineele schrijf- wijze en spelling, zoodat b.v. uit de bloote lezing daarvan blijkt oanstreeks welken tijd de straatnamen van uit het latijn in het nederduitsch genoemd werden, verbasterden of met een nieuwen naam verwisselden. |
Ten einde het overzicht over die aanhalingen te vergemakke- lijken, begon ik ze alle, met opoffering van elke aanspraak op sierlijkheid en afwisseling in de zinswending, met het jaartal waarop ze betrekking hebben.
De ligging van huizen ten opzichte van andere, hun naam, af- geleid uit gevelsteen of uithangbord, de namen hunner bewoners, zijn stipt getrouw, met de oorspronkelijke, vaak grillige spelling weergegeven; dikwijls werd aanleiding gevonden om door ver- wijzing naar een voorafgaand of volgend jaartal er de aandacht op te vestigen, dat sommige huizen jaren, zelfs eeuwenlang bewoond werden door leden eener zelfde familie.
Ik bepaalde mij tot vermelding der personen, die in de bespro- ken straat woonden; andere bijzonderheden waaraan evenwel de schepenbrieven zoo rijk zijn, werden als niet in mijn kader pas- sende vermeden. Bij enkele straten zooals b.v. bij de Witmakers- straat werd daarvan eenigszins afgeweken, omdat daar oude stuk- ken worden aangehaald, die nog nergens gepubliceerd zijn (D.
De lezer zal misschien bemerken dat, waar ertoe aanleiding werd gevonden, met eenige voorliefde uitgewijd is over sommige historische gebeurtenissen, die m. i. in het ware daglicht dienen gesteld te worden waarin ze door moderne geschiedvorschers, die „wachters bij de bronnen” stelden, geplaatst zijn; voornamelijk geldt dit feiten, verkondigd door de protestantsche hollandsche ge- schiedschrijvers, die schier allen elkander kopieerden, waar zij zoo ten nadeele der Trichter burgerij de schromelijk overdreven ge-
(*) De heer D DorrprerR had de welwillendheid ze voor mij in regest-vorm te vertolken, waarvoor ik hem hier, even als voor gegeven inlichtingen nogmaals dank betuig.
— 48 —
volgen van het beleg van 1579 hebben beschreven, en die bijna overal als „de historische” waarheid betracht werden, tot dat de Paters HAAKMAN en ALLARD, in hun gedocumenteerd werk Het beleg en de zoogenaamde verwoesting van Maestricht, aan die sectarische en ten” dentieuze verhalen de vleugels snoeiden. Ik koester de hoop, dat die voorliefde voor de „historische waarheid” mij niet als langdradigheid zal aangerekend worden, doch dat de beweringen, die daaruit voort- vloeien, zij het na behoorlijke controle, in ruimeren kring zullen bekend worden en ook zullen dienst doen bij het geven van on- derwijs aan de Trichter jeugd, aan wie de rijke en zoo bij uitstek interessante geschiedenis van de stad hunner inwoning en van haar volk, volslagen onbekend is. Wat weet zij er toch anders van, dan datgene wat de „Vuderlandsche geschiedenis” vermeldt: „Maas- tricht werd in 1579 door Prins Parma ingenomen en verwoest”; terwijl Tricht in de Middeleeuwen een staatje op zichzelf was, — gansch eigenaardig, eenig in Europa, Genève alleen uitgezon- derd — dat een dyarchistisch bestuur had, niets gemeen bezat met de geschiedenis van het Noorden van ons land, en diensvol- gens toch wel aan de Maastrichtsche jeugd, zij het in hoofdtrek- ken, dient bekend te worden gemaakt.
De naauwgezetheid, waarmede overal bij de vermelding van een feit, zelfs van geringe beteekenis, de bron aangehaald wordt waaruit geput werd, sluit naar ik hoop elke beschuldiging uit van pronkzucht met andermans veeren. Het zal iederen lezer duidelijk zijn dat ik niet méér beoogd heb, dan eene compilatie te leveren, géén aanspraak maak, noch op oorspronkelijkheid, noch op het ontdekt hebben van nieuwe geschiedbronnen. Het kostbaar histo- risch materiaal, dat ik aantrof, is eenvoudig voor het beoogde doel geordend en tot een geheel verwerkt, dat verre van geheel afgewerkt, meest immer slechts in ruwe trekken aanduidt, waar bijzonder- heden over een of andere toestand, een of ander feit te vinden zijn. De weetgierigheid van den oningewijde zal wellicht daar- door geprikkeld worden, terwijl aan onze Maastrichtsche geschied- vorschers en schrijvers misschien de moeite gespaard wordt om min of meer lang naar deze of geene bron te zoeken.
x kk
— 49 —
De toestanden waaraan in den onderhavigen arbeid, niet zonder ingenomenheid, herinnerd wordt, behooren onherroepelijk tot het verleden. Aan de weldaden van de moderne wetenschap en be- schaving op materieel gebied, is ook het oude Tricht deelachtig geworden; dankbaar moet erkend worden, dat de vaak ruwe zeden en gewoonten uit de Middeleeuwen en de daaruit noodzakelijk voortspruitende strenge rechtspleging, verzacht zijn; dat onze stad door verbeterde hygiëenische toestanden en voorzorgsmaatregelen niet meer zooals voorheen ontvolkt wordt door de zoo vaak hier gewoed hebbende pest en andere epidemiën; dat zij niet meer ten prooi is aan herhaalde belegeringen die zij, vooral sinds de XVIe eeuw, als „sleutel des lands” moest verduren; dat zij niet meer, zooals na 1632 tijdens het Staten-bestuur, betracht en behandeld wordt als een wingewest.
Schier op ieder gebied hebben ingrijpende, gansch hervormende veranderingen in het oude Tricht plaats gevonden; veel kwaads of minder goeds behoore tot de onbetreurde vergetelheid.
In hooge eer dient echter gesteld te worden, naast het behoud van tastbare herinneringen aan het verleden, ook het behoud van de machtige trekken in den eigenaardigen volksaard zijner bewoners; en dan dringt zich op den voorgrond de besten- diging hunner typische, innige liefde en gehechtheid aan hun voorvaderlijk Geloof, dat als ingeworteld, door hen nooit is ver- loochend.
In weerwil van vaak tyrannieke pogingen, na de verovering der stad door Prins Frederik Hendrik aangewend, om Tricht’s burgerij te vervormen, mocht, naar het onbevooroordeeld woord van den verdienstelijken en te vroeg ontslapen L. J. Suringar (1) het pro- testantisme, als zijnde „eene vreemde, uitheemsche plant” in de Trichter harten geen wortel schieten.
Uiterst verdraagzaam en gemoedelijk, opgeruimd ja vrolijk van aard, wars van overdrijving, soms wel wat lichtzinnig en vooral „frondeur”, is de Trichtenaar heden nog even als voorheen, be- ginsel vast en trouw aan zijne wettige overheid.
(1) L. J. SURINGAR, Bijdrage tot de kennis van den regeeringsvorm van Maas- fricht en zijn ressort, meer bijzonder gedurende het tijdvak 16821794, Acade- misch proefschrift (1873), p. 90. Zie ook p. 116.
— BO —
Hij moge het blijven in de toekomst; zijne traditioneele gods- dienstige gevoelens mogen steeds, zooals eeuwen herwaarts, de kern vormen van zijn karakter, zich afspiegelen in zijn eerbied en liefde voor het Katholiek Geloof en zijn bedienaars, moedig en zijner eigenwaarde bewust, evenals in de Middeleeuwen zich uiten, onder anderen in de prachtige, steeds aandoenlijke openbare gods- dienstplechtigheden, de jaarlijks terugkeerende algemeene en pa- rochiale processiën en de zevenjarige Heiligdomsvaart.
Op economisch en moreel gebied, strekke hem ook ten voor- beeld het vele goede van weleer, door de Fransche revolutie vernietigd in stede van gewijzigd en aangepast; men denke slechts aan het Gildewezen en de eer waarin het ambacht gehouden werd.
Hij zij, even als zijne voorzaten, werkzaam, ondernemingsgezind, matig en spaarzaam, en indien dan in de toekomst Maestricht mocht kunnen verlost worden van het douane-keurslijf, dat het naar alle zijden omknelt en zijn handel en verkeer met stam- en gewestgenooten zoo zeer bemoeilijkt, ja zelfs stremt, dan breekt wellicht voor haar den tijd van bloei en rijkdom weer aan, die aan het Middeleeuwsche Tricht van St. Servaas, roem en aanzien gaf in gansch West-Europa.
Ter verduidelijking van den tekst zij nog aangemerkt, dat bij aanhalingen uit schepenbrieven het volgnummer daarvan zooals ze door de Heeren Dr: P. DorPLER, G. D. FRANQUINET en M. WILLEMSEN zijn gepubliceerd, steeds wordt vermeld.
De achter het nummer geplaatste letters D, F en W geven den oorsprong aan, terwijl eene S de enkele schepenbrieven, in schrijvers bezit, aanduidt.
Door Dr P. DoPPLER zijn gepubliceerd en hier met D gemerkt:
in Deel XXXVI (Ao 1900 ) van de Publications etc. de Schepen- brieven van St. Servaaskerk N° 1 tot 197.
in Deel XXXVII (Ae 1901) de N° 198 tot 504. XXXVIII (Ae 1902) de N° 505 tot 818. XXXIX (Ae 1903) de N° 814 tot 997. XL (Ac 1904) de N° 998 tot 1155.
XLI (Ac 1905) de N° 1156 tot 1315. XLITI (Ae 1906) de Nes 1316 tot 1526.
» bed » >» 7
VS 3 3 3
— D] -—-
Door wijlen G. D. FRANQUINET zijn gepubliceerd en hier met eene F gemerkt, schepenbrieven van O. L. Vrouwe-kapittel in: Beredeneerde inventaris der oorkonden en bescheiden van het kapittel van ©. L Vrouwekerk te Maastricht, berusten de op het Provinciaal Archief vas Limburg, Deel I (A° 1870), de Nes 1 tot 411.
Door wijlen Pastoor M. WILLEMSEN zijn gepubliceerd en hier met een W gemerkt:
in Deel Il (A° 1865) van de Publications etc, Inventaire chro- nologique des chartes et documents de l'église St. Servais à Maes- tricht, de N° 1 tot 67.
in Deel III (A° 1866) de N° 68 tot 123. IV (A° 1867) de Nes 124 tot 231. V (A° 1868) de N° 232 tot 310.
» »”
|. De Abtstraat. (Platea Abbatis).
Deze straat wordt in de geschiedenis weinig genoemd, zeker wel omdat ze met de geheele streek van de Brusselsche straat tot aan de Tongersche straat deel uitmaakte van die Comment (Kommel)) en onder die benaming vermeld werd. Nogthans schijnt ze van hooge oudheid te zijn. Volgens DE LENARTS bestond ze alreeds in de X< eeuw en beschrijft hij ze als loopende „door de geheele Commer van St. Servaas recht naar het kasteel de Munt” (zie .Linkulenstraat), welke straat nog heden de Abfstraat genoemd wordt. „Vooraf had die schrijver medegedeeld dat St. Hubertus, „bisschop van Tricht, in het begin der VIII eeuw, aan zijne „Servatiaansche familie binnen Tricht een abf als overste gegeven „had, om alle de leden en suppoosten des kloosters onder gezagh „en autoriteyt te houden” en dat sinds dien immer van de „Aötdy
van St. Servaas” sprake is 1).
Ook Jos. HABETS (?) leidt de naam der straat af van de Abten van St. Servaas.
In de limietbeschrijving van 1442 (3) wordt de naam dezer straat alreeds verbasterd in Sabstraet.
In die van Maestricht, den Vroenhof, Tweebergen en St. Pieter van c. 1550 (4) wordt vermeld dat de Aóbfstraat aan beide zijden Vroenhof is.
Het in die straat liggende hospitaal Calvariënberg was aanvan- kelijk een klooster, in 1628 gesticht door de vrome Elisabeth STROUVEN. De kloosterzusters richtten het in als verplegings-
(1) Publications etc. I, p. 256, 233.
(°) Ibid. I, p. 233. |
(5) Ibid. XIX, p. 387.
(*) W.P. H. EvERSEN, Public, XIX, p. 374, 420, 421.
"TILL UF Jeensiqy °q
gesticht voor pestlijders; in 1629, 1630 en 1633 bewezen zij on- schatbare en geheel belanglooze diensten aan hunne medeburgers; 400 zieken overleden er. In 1635 verpleegden zij er 200 gewonde Spanjaarden, gevallen in den strijd tegen de Hollanders in de nabijheid der stad; de ongelukkigen waren in een schuur opge- sloten, terwijl van overheidswege niemand zich iets van hun lot aantrok (1).
Huizen Ìì\ de Abtstraat en hunne bewoners,
In 1414 (N° 1160D) woonde supra plateam abbatis Johannes DE HEGGEN, wapendrager.
In 1529 (N° 284F) wordt door Dionys PRONEN aan Wilhelm SCOBBEL geschonken eene schuur met tuin gelegen zu platea abbatis prope portam de lynchulis. Zij werd de tiendeschuuur genoemd omdat daarin de tienden van St. Pieter opgeborgen werden. In 1749 kwamen ze aan ’t fabriek van O.L. V. Kerk en in 1771 aan BECKER, conrector van het Athenaeum alhier (2).
ee en
2. Achter de Molens.
Zie bij Witmakerstraat.
3. Achter St. Janskerk.
Bij lezing der hieronder volgende aanteekeningen en van die bij de Papenstraat, zal het blijken dat, ofschoon in beiden schier overal sprake is van eene straat achter St. Fau, de onderwerpelijke toch immer speciaal is aangeduid, en dat de Papenstraat meestal nader omschreven wordt als zich bevindende achter het straatje: achter St. Fan.
Het is m. 1. duidelijk dat met deze laatste benaming bedoeld
() Zie nadere geschiedkundige bijzonderheden over de lotgevallen van dat klooster: Baron vON GEUSAU, Geschiedenis der kloosters van Afaestricht in Public. XXXI. p. 101; Maasgouw 189, p. 20; Jos. HABETS, Gesch. Bisdom Roermond HI, p. 707,
(*) FRANQUINET, Zuvenf, v. O. L. V. 1, p. 368.
4
— 54 -—
wordt de straat die de Zuidzijde vormt van het tegenwoordige Vredeplein, place de la Paix, aldus in den franschen tijd genoemd, dáár dus waar thans de Concertzaal der Maestreechter Staar gebouwd is.
De woningen van geestelijken der St. Servaas- en der St. Jans- kerk die men daar zal aantreffen, bewijzen zulks overigens, als zijnde gelegen in de onmiddellijke nabijheid dier kerken.
Huizen achter St. Jan en hunne bewoners.
In 1280 (N° 23F) is er sprake in het testament van Ridder Henricus DE DUOBUS MONTIBUS (van Tweebergen) van de erflating aan de kerk van St. Jan eener jaarlijksche rente op zijn huis gelegen in °t straatje, en bewoond door de zuster van den plebaan dier kerk. De bijomstandigheden hier vermeld doen met grond veronderstellen dat hier het straatje achter St. Fan bedoeld wordt.
In 1367 (N° 740D) wordt een huis vermeld achter St. Fan ge- legen, tusschen dat van Johannes DE BEKE genaamd BOssCHE, priester, en het huis van wijlen Godefridus DE MAURO.
In 1401 (N° 1036D) wordt vermeld eene hofstede met erf gelegen achter dat cleyne rueken van Sint Johan. Uit eene noot in dorso blijkt, dat die hofstede gelegen was achter hét claustrale huis van den deken van St. Servaas Everard DE REYS en tusschen het huis van Gerard VAN GHEELCKFE, kapellaan van St. Janskerk, en dat van Heinrix VAN DER MASEN en Machyel VAN DER WEYDEN, kapellanen van St. Servaas.
In 1403 (Ne 1049D) is er sprake van een huis in de straat geheeten achter Sint Fohanne tegen dat ruweken over, voormaals eigendom van wijlen Johan vAN WESEI, persoen van St. Janskerk, thans van Everart VAN Reys, deken van St. Servaaskerk en ge- legen tusschen het huis van Heinric VAN DER MASEN en Machyel VAN DER WEYDEN, kapellanen der laatstgenoemde kerk, en dat van Gerart VAN GELKE ook kapellaan van St. Janskerk.
De omschrijving in beide laatste schepenbrieven heeft blijkbaar betrekking op hetzelfde pand.
Het 9° der 13 Kerspelen waarin de stad in 1442 verdeeld was, heette het Siut Fohans Kerspel. Toen ter tijde was daarvan:
„Overheutziman”: MAES, in den burch; Jacob VAN KANNE, Koen
in den Vroenhof; Vranck VRIENTZ zoon, neven die hegge en Heyn der Smeth, hoofdmannen (U).
4. Achter het Vleeschhuis.
(Supra lapideam viam).
Deze straat kan aanspraak maken op eene hooge oudheid; vol- gens FRANQUINET (N° 89F Noot) was de naam die ze in de mid- deleeuwen droeg: Zapidea via, vicus lapideus, steynstrate of steynivech, eene herinnering aan de Romeinsche heirbaan die daar liep; hare richting toch komt overeen met die van de Romeiunsche bran, 700- als een weg in Oud-Vroenhoven die tot Tongeren doorloopt, thans nog genoemd wordt. Denkt men zich eene lijn door die richting aangeduid, dan loopt ze vlak langs St. Servaaskerk, daar waar Gregorius van Tours zegt dat de weg was, waarlangs St. Ser- vaas begraven werd. (Zie ook Breedestrauaf).
Onder den naam van Steynweg was alleen bekend het gedeelte der straat vanaf de Vijf haringenstraat tot aan de Wolfstraat, het overige gedeelte werd geacht te behooren tot het plein of forum van St. Amor (Moesmarkt).
Huizen achter het Vieeschhuis en hunne bewoners.
In 1311 {Ne 95D) is er sprake van een huis supra Lapi lea viam bewoond door NEsA, de zuster van Jacobus DE MAGUNTIA, kanonik van St. Servaas: in N° 91D werd dat huis nader om- schreven: gue tenenda est a domino duce.
In 1330 (N° 239D) is reeds den nieuwen naam vermeld; het geldt een huis gelegen retro domum carnificum tusschen dat van Hermanus SCULE schepen en dat van WIRICUS, factor antiguorum calceorum (oude schoenlapper). Uit dien brief blijkt verder dat nabij het voorgaande huis er een gelegen was tusschen dat van Balduwinus DE VUREN en de brouwerij geheeten MOERVELTS.
In 1333 {N° 252D) worden genoemd twee huizen achter de Vleeschhal gelegen tusschen de huizen van Henricus DE Rosis en van Ida genaamd IN DEN MARCKS.
Kerspelen moesten worden bezet, is te vinden voor wat betreft 1380 in Prdlivations etc. XIV, p. 6, voor 1442 ibid. XIX, p. 385, en voor latere p. 445 en vlg.
— Dh —
In 1343 (N° 377 D) het huis van Poys thans bewoond door Henricus CUPENBENDER, gelegen supra lapiteam viam, naast dat van Godefridus genaamd VLENERE pellifer (bontwerker) en dat van Aleydis DE CRANIA.
In 1358 (Ne 618D) wordt een huis genoemd gelegen supra lapideam viam, toebehooronde aan Johannes DE VREZEN, sartor antiquarum vestium (oude kleerkooper) en liggende tusschen dat van Godefridus DE WEERDE, brouwer en dat van wijlen Gop- SCALCUS, ook brouwer.
In 1378 (N° 833D) is er sprake van een huis op de Kersen- markt achter het macelltum (de Vleeschhal) tusschen het huis van Willelmus WAUTEMS en dat van Johannes VAN DER ERDEN.
In 1388 (N° 919D) van een huis terzelfder plaatse, hier om- schreven retro domum carnium, (in dorso staat retro macellum) naast dat van Johannes QUANT en dat van Henricus DE VLEY- TINGIS, koopman.
In 1399 (N° 1017 D) wordt een huis genoemd achter den vleesch- huese tusschen den gang voerende naar de fandskroon (tegenwoor- dige Foire de Leipzig) en het huis vroeger geheeten blaekenpanhues. In denzelfden brief wordt melding gemaakt van Henrick HAENEN die vroeger Auepenbender (kuiper) thans vlzedendecker is. De eigen- aardige Maestrichter v/zoij was dus toen alreeds uitgevonden.
Aangaande het gangetje dat hier vermeld wordt zij opgemerkt dat de huizen destijds veelal niet tegen elkander doch met eenige tusschenruimte naast elkander gebouwd waren, de aldus gevormde ruwekens dienden zoowel om een tweeden uitgang aan het huis te verschaffen, als om doorgang te verleenen aan het vee en om het overslaan van brand te verhinderen; de zijmuren der huizen waren opgetrokken uit houten balken met leembekleeding; eerst na den grooten brand op de Brusselsche straat in 1612 werd van overheidswege voorgeschreven dat de scheidingsmuren in brikken moesten gebouwd worden.
De meeste huizen der Kleine Staat en die van belendende straten hadden destijds een uitgang behouden op de Vleeschhal die voorheen eene straat was.
Even als dit overigens met de meeste wijken het geval was, vormde dat stadsgedeelte een waar labyrinth van kleine steegjes die zoowel bezijden als aan den achterkant de eigendommen
_ B —
scheidden. Hier is men er reeds vroeg in geslaagd ze gelcidelijk te doen verdwijnen; in de oude gedeelten van de meeste steden treft men ze nog zeer veel aan onder den naam van impasse, steeg en ZUSSE.
In 1429 (N° 1290 D) is er sprake van het bruwekhuys van Peter BRALTSEN, brouwer, achter het Vleeschhuis gelegen naast de woning van dezen en het huis van meyster CLOCO, beduersticker of Ertsetter.
In 1452 (N° 1402D) is er sprake van een huis often steynuech toebehoorende aan Henrik VAN COELMONT den jonge.
In de Raadsverdragen van 1535 zijn de namen opgetcekend van gevluchte herdoopers; daaronder komt voor der scrinemekcr woc- nende in die drie Pelchrims achter °t Fleysshuys. Dat huis met dat opschrift bestond nog in 1713; den 12 Mei van dat jaar ontstond er cen zware brand.
In 1457 (N° 1444D) is er sprake van het huis van Herman NUYSSEN gezegd VAN BREDE, gelegen achter dat vleyshuys naast het huis van wijlen Johan TORNERS en dat van Peter VAN BEECK.
In 1556 (1) was er achter °t Vlyshuys een huis geheeten Zu den Swaen, en was ’t bij Wilhelm CAPUYNTS, zn? hoge huys.
Achter het Vleeschhuis woonde zz de dry Roosen in 1107 Francois MINCKELERS, den grootvader van onzen beroemden stad- genoot Jan Pieter ; eerstgenoemde even als zijn zoon Laurent Michel oefende er het ambt van apotheker uit. Het huis lag tusschen „den Coelen Mey” en „het Groen Kruys”, de tegenwoordige huis- nummers 21 en 23 (*)
Ter herinnering aan ’t bezoek van Czar Peter de Groote aan Maestricht in 1717 liet een bewoner der straat achter het Vleesch- huis op zijn in dat jaar herbouwd huis het opschrift aanbrengen
aDVenlt CzarVs MosChoVlae
d. 1. de Czar van Moscovien is hier gekomen (3).
() Publications etc. I, p. 67. (2) Maagouw 1904, p. 33, 34, 36. 6) Ibid. 1880, p. 308.
— DS mm
5. De Aldenhof (antigua curia). St. Pieterstraat en Kleine Looierstraat.
In 1265 wordt er in het testament van ridder LEWALLUS, zoon van Godefridus advocatus Traiectensis, d.i. voogd van Tricht, melding gemaakt van het begijnhof buiten de muren der stad gelegen en ,onlangs” ter eere van St. Catharina gebouwd; LeE- WALLUS schonk daarbij aan de kerk van dat begijnhof eene som geld, zoomede de verkooppenningen van een hem zn allo ponte (Helstraat) toebehoorend huis, ter bouwing van een nieuw huis infra muros beghinarum. Uit dat testament blijkt ook dat destijds aan deze zijde van na te noemen kerk van SZ. Andreas eene groote hoeve, magna curia, gelegen was (1).
Het bedoelde begijnhof was oorspronkelijk gelegen te St. Pieter nabij de Maas, op de linkerzijde als men voorheen de St. Pieters- poort uitging. Deze plaats blootgesteld zijnde aan overstrooming, verplaatsten de begijntjes in 1263 hare woning naar den anderen kant der St. Pieterspoort; de stichting van dat nieuwe hofje zal wel geschied zijn met de nagelaten gelden uit het voornoemde testament (°\.
In September 1866 werden ten westen der poort nabij de gemetselde opening in den dijk (thans St. Hubertuslaan) die toen- maals de kommen in tweeën deelde, een put en overblijfselen van een onderbouw, benevens fragmenten eener colonette gevonden, die door Jhr. V. pe STUERS met allen grond toegeschreven worden aan het tweede begijnhofje van St. Catharina (©).
Tijdens de onlusten in 1465 had St. Pieter partij gekozen tegen den Prins-Bisschop LODEWIJK VAN BOURBON; het geheele dorp en ook het begijnhofje werd door de Trichtenaars, die hun heer waren getrouw gebleven, afgebrand. In 1484 werd de commu- nauteit door de Magistraat hiervoor schadeloos gesteld en bouw- den de begijnen met het ontvangen geld een nieuw kiooster (1) Dr P. DorPLer, Mluasvouw 1895, p. 70.
(°) Ibid. en J. Hagers, Cesx. Bis. Reermona Il, p. 422; zie ook hetgeen daarover zegt Alex. Schaepkens, Zuótteultors etc. 1, p. ol. Volgens een daarbij aan- gehaald stuk van 1282 lag dat tweede hofje ongeveer tegenover den tegenwoordigen Nieuwenhof.
(8) Puôticattons etc. IV, p. 451.
— 59 —
tegenover het oude gelegen. Het werd de nova curia, den MNieu- wvenhof geheeten in tegenstelling met de antigua curia, den Alden- hof zooals dat gedeelte van St. Pieter reeds genoemd werd; het bleef dien naam behouden ook nadat bij de vergrooting der stad in 129) hetzelve met de Kleine Looierstraat tot aan den wal, de Sulsruwe (Begijnenstraat), en dat gedeelte der St. Pieterstraat dat buiten de Minderbroederspoort (ingang Begynenstraat) lag, binnen de stadsmuren getrokken was (1)
In 1302 {Ne 53D) wordt er melding gemaakt van een ander kerkje gelegen kort bij de Maas ter plaatse waar in lateren tijd het hoornwerk links van de St Pieterspoort gebouwd werd. Dat kerkje was aan St. Andreas toegewijd; rondom woonden er reeds in de XII[° eeuw begijnen (+). |
Die Swesteren by Sinte Andries tsente Peter woenechtich waren Volgens een Raadsverdrag van 1326 leden van het Cortespoelder- Ambacht en in die hoedanigheid burgeressen van Tricht. Toen dat begijnhofje in 1465 hetzelfde lot als dat van S" Catharina onder- ging, vereenigde het zich, naar het schijnt, met de begijnen van den Nieuwenhof (3).
Doordien de naam van het stadsgedeelte de Aldenkhof verdwenen is en bij de meeste Maestrichtenaars wel volslagen onbekend zal zijn, heb ik vermeend dienaangaande in nog al uitvoerige bijzonder- heden te hebben moeten treden; deze kunnen ook trouwens dienst doen bij de behandeling van de aangrenzende straten van den Nieuwenhof, en zal ik er daarnaar verwijzen.
De Minderbroederspoort die in vele schepenbrieven vermeld wordt om de ligging van huizen aanteduiden, dient met een enkel woord vermeld te worden. Zij lag in het midden der tegenwoordige St. Pieterstraat, bij het eerste klooster dat de Minderbroeders hier in 1234 stichtten en in den ouden walmuur van vóór 1299 die van de Helpoort, ten noorden van ’t Begijnenstraatje, naar den ingang der Tafelstraat liep. De Afenrebroeders- ook wel Aldehoefsporte geheeten werd waarschijnlijk in het begin der XVI: eeuw, toen de St. Pieterspoort gebouwd werd, gesloopt. Deze laatste poort werd toen ook de Aldehoefspoort of buitenste poort genoemd; en
mmm ee en
(1) FRANQUINET, Zur. O. L. WV. I, p. 102, 122. (*) Ibidem. (3) Jos. Hagers, Gesch. Bisd. Roermond III, p. 721.
— 60 —
om de Ain derbrorderspoort van deze te onderscheiden werd deze vaak de Alte Aldenhoefs- (1) of voorste poort geheeten zooals blijkt uit Ne 147 F in 1410.
Huizen op den Aldenhof en hunne bewoners.
In 1289 (Ne 15D) wordt een huis genoemd buiten de poort der Minderbroeders waarin Bela DE HAVERSDALE woont.
In 1291 (N° 34F) is er sprake van een huis van wijlen Henricus, genoemd brtas buiten de Ainderbroederspoort.
In 1325 (N° 196D) wordt het huis vermeld van Johannes SCAMPART extra portam fratrum minorum.
In 1328 (N° 219D) het huis van wijlen MELLA, begijn, met vermelding als boven en tevens supra antiquam curiam.
In 1337 (Ne 204D) woonden supra antiquam curiam Johannes gezegd DE MULKEN en Johannes bakker.
In 1342 (Ne 363D) woonde op den Aldenhof Henricus DE FLEYTINGIS, voller.
In 1358 (N° 609 D) Jacobus, bakker, de zoon van Johannes.
In 1363 (N° 693D) wordt het huis genoemd van Henricus THEUS, voller, supra antiquam curiam naast dat van Henricus HEYMAN en dat van Nicholaus DE MESSCHE gelegen.
In 1370 (N° 770D) wordt hetzelfde huis vermeld en beschreven als liggende tusschen dat van Wilhelmus DE MESSCHE, panni- tonsor (?) en dat van wijlen Johannes DE JECORA.
In 1370 des Maandags na O.L. Vr. Lichtmis (4 Febr.) wordt in een Raadsbesluit besloten: Zat men die porte gheiten van Hokebeym, ghelegen op den andenhof, vor die porte van Sint peter, tu muren sal ende Cloes van Limb... die sal svn molensteyne dor die porte moghen halen of dor trecken eer die porte tu ghemuert woert, of hi wilt (2).
De hierbedoelde poort van Hokebeym, heb ik nergens meer aan- getroffen; wèl nog een cleyn moeten portke opten Aldenhof tot sente Peter dat in een brief van het kapittel van O. L. Vr. in 1458
(1) Zie het uitgebreid opstel over de inlijving der Nieuwstad door H. P. H. EvERSEN, in Publicatons etc. XIV, p. 3—100 met plan.
(*) A. Hagers, Le plus ancien régistre aux résolutions du Conseil communal de Maestricht, 126S—1979, p. 65.
— Gi —
genoemd wordt, bij gelegenheid dat een cijns veranderd werd die op den molen de bougk, rustte. Die molen lag nabij het zoo even bedoelde poortje op den Moeck van de Cleine Leurestraat op de St Peterstraat (À).
In 1371 (N° 781 D) woonde Gerardus, verver op den A/denkof.
In 1379 (N° 234W) is er sprake van de goederen van wijlen Symon, sartor (kleermaker), gelegen buiten de Minderbroeders- poort supra antiguam curiam tusschen die van wijlen Jacobus, bakker der Minderbroederskerk en de Zu/lsr uwe.
In 1380 wordt als beëedigd heffer van den accijns op koren, meel en mout genoemd Jo. LEMOEL op den Aldenhof (2).
In 1387 (N° 914D) is er sprake van een huis met toebchoor gelegen supra antiquam curi:m, tusschen het huis van wijlen MENTA en dat van Johannes Korc, wever, waarin thans Petrus SUPRA PONTEM, lakenscheerder, woont. Het wordt nog nader aan- geduid als liggende bij de nieuwe poort en nabij domum theuto- nice by den haegedoeren; (zie over deze laatste benaming hier- onder Ne 1107 D in 1404). | |
In 1391 (N° 929 D) wordt vermeld het huis van THOELEN, de echtgenoote van Godart PLUYMKENS, op den ÆA/denhof gelegen tusschen dat van Dyerix, zoon van Arnold VAN ROETHEM, scrocder (kleermaker), en dat van wijlen Mathys VAN CANNE, molenmekere.
In 1398 (Ne 998 D) woonde op den Aldenhof Johan VAN ESDE, den sloetmekere.
In 1404 (N° 1107 D) wordt vermeld een erf bij den A/denhof op den ezeldriessche gelegen tusschen het huis van wijlen Johan IN DIE POERTE en dat van Conrart VAN DER LAKEN; benevens een erf op den Aldenhof by den hagendoern (vergelijk in 1387 N° 914 D) naast het huis van PELEN en dat van Johan genaamd Hans VAN RUREMUNDE.
In 1418 (N° 1202D) is er sprake van het huis voegelsange ge- heeten, op den Aldenhof bij den Aagendorne gelegen, tusschen de huizen van Dyerix an gheen Eynde en van Johan KOCKARTS, scroeder (kleermaker).
(1) FRANQUINET, Znvent. O. L. Vr. 1, p. 139. () Maasgouw 1883, p. 861.
— 62 —
In 1424 (N° 1251 D) van een molen op de Jeker buten der porten van den Aldenhof.
In 1427 (Ne 1274D) wordt vermeld de molen van Arnold BAERTS aan de Jeker opten Aldenhof tusschen dit riviertje en die ruwe gaende te Lorenstruete wart,
In 1669 toen de pest hier woedde, huurde de stedelijke regeering voor den tijd van twee jaren eene woning geheel door de Jeker omringd, geheeten den Kronenhof en gelegen nabij de St. Pieters- poort, om tot een derde lazareth ingericht te worden (1).
Het welbekende huis met sierlijken steenen gevel in de St. Pie- terstraat, onlangs door den arclritect Sprenger opgemeten en ge- teekend, draagt eene weegschaal in den gevelsteen met het onder- schrift: Zu de oude waegt 1714. Het daarop voorkomende chronicon luidt:
paX ChrIstl sit In haC DoMo (1714) d.w.z. De vrede van Christus zij in dit huis.
De stichter daarvan was een lid van het Cremerambacht.
Een ander huis in dezelfde straat wordt aan de bescherming van God tegen de aardsche ongevallen toevertrouwd
nVMine DVCe ConserVor (1716) (2).
Tot 1639 bleef de kerk der Minderbroeders aan hare bestem- ming voldoen; toen werd ze tot arsenaal gebruikt tot in 1868; van af dat jaar tot 1879 diende ze tot kazerne en gymnastiezaal, om daarna in haren vroegeren luister hersteld te worden en tot archiefgebouw te worden ingericht (3).
6. De Batterij- en de Breulingstraat,
Van beiden wordt weinig gewag gemaakt; in schepenbrieven heb ik er geen sprake van gevonden. Alleen vond Alex. ScHArP- KENS (4) in een brief van 1416 vermeld een huis op den groeten
(1) Aunuaire de la province de Limbourg 1839, p. 140.
(?) Maasvouw 1880 p. 240.
(3) Ibid. 1888, p. 72, waar eene beschrijving voorkomt van de inrichting van het arsenaal.
(*) Publications etc. I, p. 60.
— 63 —
gracht er op den oerde van der batterien. De onderstaande aan- halingen waarin personen en huisnamen, zoomede het bestaan van een rucmeken dat op 18 M. afstand van de Groote Gracht, de Bitterijstraat met den Markt verbond, komen mij toch vermeldens- waard voor.
In 1488 wordt Reyner in die batterye genoemd als aan de stad 500 gulden geleend te hebben.
In 1490 leende Reymont BERTRAM ## die Battrie ook aan de stad 1009 gulden (1).
In 1450, bij de limietbeschrijving van het graafschap „den Vroen- „hof of Lenculen” wordt vermeld dat „die Batterie ten beyden „Syden is Lenculre goet uytscheyden die vorste huysen op den „Holtmerkt uytgaende ende uytgescheyden beyde die huyzen die „opwaerts stoen aen den Gracht beneven daer dat alde rouweken „staet ende van outs gestanden heet (de Capucijnengang), ende „het plach te goen totter Roederstraeten toe” (Capucijnenstraat) (2).
Toen omstreeks 1550 opnieuw eene dergelijke limietbeschrijving plaats had wordt vermeld dat den „gront van den Vroenhof „begint op den Gracht aen een rouwken staende in die Batterye „achter CHRISTYNEN huys metten Tanden, nu Jaspar Sips toebe- „hoorende, hetwelck rouwken gaet van achter tot dat huys zu die „Gans nae den Holtmerck, ende van den rouwken naer den „Gracht syn die huysinge ende erven voor Trichter gront gere- „puteert. — Ende die ander syde zer Battergen in ter syden naer „den Holtmerck, ende opgaende voor dat voorss. rouwken diepe „ten Holtmerck in gaet, soo hier vormals gestreckt heeft, alle die „huysinghen ende stellinghen, uytgaende in die voorss. Batterye „syn al grondt van Vroenhof, met Aert WyYNANTs schuer én den „Bruel (Breulingstraat) staende op het oorthuys van der Batterpen „tegen den Breu/ achter over.
„Item die andere syde van der Batterpen beginnende reght tegen „over dat rouwken voorss. achter Jaspar Sirs naer der handt „Jan PRENTEN, nu borgemeester CAUBERGH, nu Servaes VAN BEUL, „dat selve huys van voor naer den Gracht, tot tegen dat voorss. „Touwken, is Trichts gereputeerd ..... 7 (3).
(1) Publications etc. XIV, p. 54, 64. (? Ibid. XIX, p. 398. (*) Ibid. XIX, p. 417.
Gt —
In 1626 had er weer cene limietbeschrijving plaats die, met betrekking tot beide straten niets meer leert dan die van 1450 (1).
In 1639 kocht de Magistraat van Baron WEYER voor 4000 gld. eene schuur met open terrein in de Batterijstraat om daar een nieuw lazareth te bouwen waar de slachtoffers der pest door de Cellebroeders zouden verzorgd worden (®).
Nog in de XVII eeuw waren de straten grootendeels van over- heidswege niet geplaveid. In 1675 richtten de bewoners der Bat- terijstraat een vertoog tot den Magistraat waarin zij wezen op den onhoudbaren toestand waarin de straat zich bevond, vooral na dooiweder en bij aanhoudende regen. Zij stelden voor zelf Maaskeien aan te voeren mits de stad de bestrating op hare kosten liet uitvoeren (9).
De limietbeschrijving van c. 1720 zegt: „Voor eerst begint den „Vroenhof in de Bartiystraet achter het huys in de Guns ge- „naempt dat uyt compt op den merck alwaer een kleyn rouken „gestaen heeft omtrent 63 voeten (c. 18 Meter) van den Grooten „Gracht in de voorss. Battrystroet welck rouken ses a seven voeten „diep in voorss. huys inwaers was gaende, soo dat alle de huysen „aen die seyde opwaers gaende tot de schuere staende op den „hoek van het Lreulstratien ter diepte voorss. al Vroenhoffs syn. — „Item d’andre seyde van de voorss. Bath ystraet beginnende recht „ouer het voorss. rouken achter het huys daer den Kertogh van „Snaen uythanght, dat selve huys, van voor naer den ganck is »„indivisen stadts grondt.
„Ende opwarts ter Battiye ingaende dat selve huys neffens alle „d'andre van de selve seyde stallingen, hoven etc. tot tegens ouer „voorss. schuere aen het Brue/stratien syn al Vroenhofs achter en „voor”. . . . (4).
Aan het einde der Buëterijstraat nabij de Breulingstraat bevond zich een poel die eerst omstreeks het begin der XVIII: gedempt werd (5).
(1) Annuaire etc. 1830, p. 140. (°) Afaaszouw 1905, p. 59.
(5) Faarboek etc. 1851, p. 270. (*) Puôltcattons etc. XIX, p. 424. (5) Faarbock etc. 1851, 267.
Het zoogenaamd Pater Vinktorentje met de Helpoort in 1905.
_— 65 —
In 1763, vermeld de chroniek van Loyens, „is in de Batterie „straat int huys genaemd Ket Jlaentje eenen jongman met naeme » lHEELEN door (men weet niet wat) des nagts uyt zyn bedde „de venster op de bovenkamer uytgeworpen, de yseren staven „gebrooken zyn en bovengemelde TEELEN 3 daegen daar naar „gestorven is” (1).
7. De Begijnenstraat (Sulsruwe).
Voorheen stond deze straat bekend onder den naam van Sulsruive naar de familie SuL die aldaar reeds in ?t begin der XIV* eeuw een molen op den Jeker bezat die naar haar de Su/s- molen genoemd werd. |
In 1350 werd in de onmiddellijke nabijheid daarvan het klooster of begijnhof van St. Katharinadal gesticht door Elisabeth, de dochter van den schepen DE MOLENDINO; het bleêf echter slechts korten tijd bestaan en loste zich in 1470 op in de Congregatie der Fafie- zusters die ook in de Su/sruwe gevestigd waren, nl. in de oude refugie of poort van Pietersheim van de familie DE MERODE (2).
Die begijnen droegen een kleedingstuk fr/te genaamd, een soort sluijer waarmede zij zich op straat het gelaat moesten bedekken en dat nog tot in ’t midden der vorige eeuw door oude vrouwen placht gedragen te worden.
Ten gevolge van nalatigheid in het beheer en van een brand
waarin ook de archieven verloren gingen, — het tijdstip waarop dit geschiedde wordt niet vermeld, — verviel de communauteit
in groote armoede, zoodat zij er slechts toe kon geraken nog een klein kerkje en een klein klooster te bouwen dat thans nog be- staat en dat, met zijn kruisramen, trapgevels, daklijst met con- soles en zijne hardsteenen omlijsting der vensters, die eene con- structie van ’t eind der XVII: eeuw verraden, een zeer schilder- achtig aanzien heeft.
(1) Maasgouw 1908, p. 39.
(2, In de CArouiek van Loyens (Maasgouw 1902 p. 62) wordt de vestiging der Faliezusters gesteld in 1487.
In eene andere chroniek (Maasgouw 1886, p. 76) wordt gezegd dat de zusters van St. Katharina de Refugie van Pietersheim kochten in 1602 (?:.
— 66 —
Het gebouw diende in den Hollandschen tijd tot kazerne voor eene compagnie genie-troepen, van daar den naam van Faliekazerne ; thans behoort het gebouw aan de stad en dient tot woningen van politie-agenten; het kerkje werd een veertigtal jaren afgebroken (1).
Nog zij hier vermeld het torentje, in den volksmond geheeten naar PATER VINCK, een der Maestrichter martelaars uit het gruweljaar 1638.
Deze toren, thans in zijn oorspronkelijken vorm hersteld, maakte met de aangrenzende muren deel uit van den walmuur in 1298 — 1299 gebouwd; tijdens de merkwaardige belegeringen der stad in 1407 en 1408 door de Luikenaren, in opstand tegen den hier gevluchten Prins-Bisschop JAN VAN BEIJEREN, werden hier ver- woede gevechten geleverd.
În 1471, toen de zoogenaamde Nieuwstad (2), voor het eerst in de Raadsverdragen van 1515 genoemd, nog niet was ingelijfd, deed deze walmuur nog dienst zooals blijkt uit ordonnantiën die In tijd van gevaar het bezetten daarvan en met name van der thorne achter dis Swesteren (de Pater Vinck toren) gelaste.
Vlak bij dien toren in de nabijheid van het oude, XV* eeuwsche Pesthuis, het voormalige gemeente slachthuis, lag eene stadspoort de Ancker genoemd ($.
Het bolwerk in den vestingmuur tegenover de Begijnenstraat heette oudtijds „Haet en Nyt” terwijl dat wat naar de Martelaars van 1638 genoemd werd de vijf koppen, voorheen den naam droeg van de drie duyven (5).
De Sulsruwe werd in de XIV* eeuw met de Kleine Looierstraat en het gedeelte der St. Pieterstraat dat buiten de oude Minder- broederspoort lag, begrepen onder de wijk den Aldenhof, antigua
curia geheeten (6). In eene beschrijving der wijken of kerspelen waarin de stad in
(1) Jos. HABETS, Gesch. Bisdom Roermond II, p. 117. — Bet von GEUSAU, Ge- schiedenis der Kloosters van Maastricht in Publications etc. XXXI, p. 49.
(“) Zie over de inlijving der Nieuwstad het gedocumenteerde opstel van H. P. H. EVERSEN, Publications etc. XIV, p. 3—100.
(3) Ibid. I, p. 87.
(4 Ibid. XIV, p. 9, 95, 100.
(5) Ibid. XIV, p. 94.
(6) FRANQUINET, nv. O. L. V. II, p. 233.
67 —
de XVII: eeuw verdeeld was wordt de Su/sruwe, die sylliek rouwe geheeten (1).
De Begijnenstraat was tot kort na de ontmanteling der stad in 1868, een smal steegje; sinds dien heeft de toestand daar ter plaatse een geheel ander aanzien gekregen, en schijnt het plein voor het Feilenklooster in park herschapen, versierd door den „Pater Virck toren” en de gerestaureerde walmuren, met de in de nabijheid statig verrijkende Helpoort, een sieraad van het oude Tricht te zullen worden. De restauratie van den gevel van het Feilenklooster is daartoe noodzakelijk, terwijl onderzocht moet worden of de bastions „Haet en Nyt” en de „Vijf koppen” voor- heen niet met torens z.g. „orgelhuisjes” voorzien waren die als. dan dienen hersteld te worden.
Huizen in de Begijnenstraat en hunne bewoners.
In 1294 (N° 34D) is er sprake van het erf dat Henricus DE Ors en Johannes THONEN bezitten en dat gelegen was tegenover de brouwerij geheeten feplenpanhuis. In welke straat deze brouwerij lag is niet aangeduid, noch de beteekenis van haren naam ver- klaard; in geen geval valt hier te denken aan de falie- of feyl- zusters die eerst in 1470 van zich deden gewagen.
In 1363 (N° 185 en 186W) wordt vermeld den ma/Ztmolen van Daniel DE EYNENBERCH, man van wapenen, en zijne vrouw Rutgera DE EUSENBRUECH, gelegen op den Jeker, nabij de Minderbroeders. Die familie woonde op het Baftoen. Op het hier bedoelde terrein stonden destijds zeer vele molens.
In 1369 (N° 101F) worden de goederen genoemd van Anselius, looyer, gelegen tusschen die van Goswinus VAN DILSEN en die van Johannes VAN MERE op die arme brgynen wonende, naast den molen van Johannes Mennen SUELS, en genoemd puuperes swestrices.
In 1369 (N° 760D) wordt melding gemaakt van het kleine huis van Lambertus, zoon van wijlen Symon op den Aldenhof en van wijlen Katherine DE BRUGIS, gelegen op den hoek der ruwelle dicte Sulsruue tusschen zijn groot huis en dat van Jacobus PisToRIs.
In 1379 (Ne 843D) wordt de straat geheeten Zuls genoemd om de ligging van een huis nabij die straat aanteduiden.
() Publications etc. XIX, p. 447.
— 68 —
In 1463 (N° 1501 D) is er sprake van een huis met tuin gelegen voir tbeepnen poertken tusschen het huis van wijlen Heynen EKENERS en dat van Heynen Vogers, bakker.
In 1492 (zie noot bij N° 813D) wordt gewag gemaakt van het convent van Pietersheim gelegen indie Sulgruive.
In deze buurt lagen vele molens die hun beweegkracht aan den Jeker ontleenden. Op St. Jacobsdag in 1505 wies deze plotseling zoo sterk dat o. a. de „Malsmeulen en de Paesmeulen van Mal” wegdreven.
Op eene kaart der stad van 1718 wordt de Begijnenstraat ge- noemd „zt sackjien”, waarschijnlijk wel om den algemeenen naam zak (cul de sac) aanteduiden.
8. Bogaardenstraat. (Platea Beggardorum).
De oorsprong van dien naam moet volstrekt niet gezocht worden in de kloosterorde der Begaarden die gevestigd was in de Witmakerstraat.
Van Heylerhoff (1) oppert het vermoeden, zonder het te durven bevestigen, dat hij wel zijn ontstaan zou te danken hebben aan eene sekte van geestdrijvers Bognarden genaamd, die zich in die straat in 1307 vestigden (2). Zij kwamen uit Duitschland en hadden met bovenbedoelde kloosterorde niets gemeens; het waren ketters wier leerstellingen in 1311 door Paus Clemens V op het Concilie van Vienne veroordeeld werden, even als toen ook de orde der Tempeliers opgeheven werd. Dergelijke oproerstokende ketters kwamen veelal voor in de Middeleeuwen: zoo de #Aagellanten (geeselaars) hier in 1399(3) en de half naakt loopende duzvels- dansers in 1314 (*), de naaktloopende geeselbroeders in 1501, die de stad in rep en roer brachten en bloedige onlusten veroor- zaakten ook nog in 1351 en 1457 (5).
() Annuaire 1830, p. 134.
(?) Maasgouw 183R, p. 36.
(*) Ibid. 1888, p. 48.
(9 A Hagers, Rég. aux. résol. du Cons. Comm. de Maestricht, 1368—1379, p. 39, (6) Publications etc. VII, p. 109, 200, 202.
— 69 —
Van Heylerhoff zegt verder dat het waarschijnlijk is dat de naam der Bogaardestraat wel zou kunnen ontleed worden in Boog en gaard (tuin): wat voor die veronderstelling eenigszins pleit is dat de oude stads-boogschutters daar een tuin bezaten; eindelijk dat oorspronkelijk de naam ook wel Boomgaardestraat kan geweest Zijn; uit de benaming in ’*t latijn kan dit evenwel niet afgeleid Worden.
Huizen in de Bogaardenstraat en hunne bewoners,
In 1316 (Ne 142D) is er sprake van drie huizen in de p/atea Öeggardorum, bewoond door Willelmus, vleeschhouwer, Eliza- bet de weduwe van Rutgerus genaamd DAYAT en Mathias BERGERE.
In 1320 (N. 165D) wordt een huis op den hoek der Bogaar- destraat genoemd, gelegen tegenover dat van Aleydis VLENNERSSE.
In 1342 (N° 369D) een huis supra platea beggardorum gelegen tusschen dat van Wilhelmus ZEILWENDER en dat van DE SLUSIS, bakker. |
In 1356 (Ne 561D) wordt vermeld het erf van Herbertus DE CAUDENBERGH in de platea beegardorum tusschen de huizen van Johannes Pisroris en van Yda KERKENS.
In 1365 (Ne 562D) wordt in die straat genoemd een huis met tuin en dependentiën, toebehoorende aan Herbertus DE CAUDEN- BERGH en zijnê zuster gehuwd met Lambertus DE VALLE, gelegen tusschen dat van Mathias DER VISSEN en dat van Yda de weduwe van Johannes ZEILS.
In 1377 is er in een cijnsregister van ©. L. V. kerk (1) sprake van de Beggardstroet.
In 1397 (N° 983D) van een huis in de begarfstrate (in dorso Van den schepenbrief platen bagardorum) aan Cloes EYNENSOEN Mm erfpacht gegeven en gelegen tusschen dat van Johan TYLOYKEN alias TyLOYS, ghewantmeker, en dat van Kristiaen MESENS.
In 1398 (Ne 564D) wordt het in 1365 genoemde erf de Kau- denbergh in de wicus beggardorum beschreven als gelegen tusschen het huis van Lambertus DE GELKE, bakker, en dat van Henricus DES WysEN DE BOUCHOUT, anders gezegd Heyne DER CRUEPEL.
Nog in 1398 (N° 1012D) is er sprake van een huis gelegen
()) FRANQUINET, Znvent. O. L. V, Il, p. 259.
Ÿ
— 10 —
supra plateam beggardorum tusschen dat van Mychael GELDOLFI en dat van Henricus DE BorcHour (vergelijk voorgaande).
In 1408 (N° 1101 D) van het huis van Katharina gezegd Kra- GENERS in de vicus beggardorum tusschen dat van Symon BukKE van Merkelbeek en dat van Petrus CRUESENS.
In 1413 (N° 1149D) wordt melding gemaakt van het huis voorheen genaamd de Kaudenbergh (zie op 1398) in de flatea beggardorum gelegen tusschen het huis van Johannes BOEN, wagen- maker, en dat van Katharina de weduwe van Henricus WysEN ook genoemd in 1398. |
In 1421 (Ne 1229D) van het huis van Johannes DE BEECK, sutor (schoenmaker), in de vicus beggardorum, tusschen dat van wijlen Johannes PUETKENS en dat van Arnoldus SrrypP; het erf van laatstgenoemde wordt omschreven als gelegen naast zijn huis en dat van Henricus OTTEN, wagenmaker.
In 1429 (N° 1296 D) is er sprake van een huis in de beggurde- strate naast het erf der kinderen van Pouwel VAN OIRSBEKE.
In de limietbeschrijvingen van den Vroenhof van circa 1450 en van 1626 wordt de Bogaert strate genoemd als behoorende ten beiden zijde tot het gebied van Linkulen (1).
In 1459 (N° 1466 D) is er sprake van het huis van Peter VAN KANNE, oeftmenger, indie Begaertstroete naast dat van Aert VAN BRIEDE en dat van Thoenys VAN ZUETENDALE, der stat louper.
In 1493 werd het 12 Apostelenhuis (gasthuis van den Bellick) door Lambertus VAN MIDDELHOVEN gesticht; Pauwels VAN Mip- DELHOVEN een zijner familieleden wordt als schepen der stad van Luiksche zijde in 1453 en 1454 aangetroffen (2). In 1768 werd het . huis nieuw opgebouwd (3).
In 1535 (4) was Heyn TYMMERMAN #7 die Bogardestraete een der 15 Anabaptisten die op het Vrijthof onthalsd werden.
Onmiddellijk na 1579 wordt Jacob BECKERS als wonende inde Bogaerdestraet vermeld (5).
Tegen het einde der XVIII: eeuw behoorde het huis thans nog
() Publications etc. XIX, p. 398 en Maasgouw 1905, p. 59.
(°) Ibid. XXXIV, p. 325 en het in 1893 door A. J. A. FLAMENT uitgegeven werk. (5) Annuaire 1831.
(*) Jos. HaBers, De Wederdoopers, p. 129.
(5) HAAKMAN & ALLARD, Het Beleg van Maastricht, p. 183.
— 11 —
in den Rooden Leeuw geheeten (N° 50 der Bogaardestrraf) aan de familie ZELIS die er het brouwersambacht in uitoefende; het werd tijdens de belegering van 1794 plat geschoten.
Aangaande den poel, op den hoek dier straat èn der Groote Gracht, in 1703 gedempt, zie men deze laatste straat.
De joodsche Synagoge in de Bogaardestraat dagteekent van 1839. Zij werd gebouwd in een stuk tuin der Capucyne kaserne, aan de joodsche gemeente door den koning geschonken; haar cere- dienst werd te Maastricht voor het eerst in ’t openbaar uitge- oefend in 1794 in een huis achter het Stadhuis, daarna in 1307 op de Kleine Gracht (1).
9 De Bokstraat of Boxstat.
Men moet alreeds tot de ouden van dagen behooren om zich nog te herinneren dat ‘aan de overzijde der tegenwoordige Kessels- kade en „langs de Maas” eene rij huizen stond die in 1847 bij het aanleggen van het kanaal naar Luik afgebroken werd; die straat heette de Bokstraat. Voor dat de Augustijnen, ook wel Oudestynen genoemd, in 1609-1618 hunne kerk en klooster aan de Mariastraat bouwden, waren zij, sinds hun vertrek van de Visscher- maas omstreeks 1291, gevestigd in deze straat bij de Maasbrug; de ingang van ’t klooster was in de Bokstraat en den achterkant, Even als die van de huizen ernaast gelegen, lag onmiddellijk aan den oever der rivier. Het koor der kerk sprong zelfs gedeeltelijk uit over den stadsmuur en de Maas (2).
In dezelfde straat lag naast de oude Jodenpoort, (tegenover de Straat van dien naam), het refugiehuis der abdij Godsdal bij Visé, dat alreeds in 1271 vermeld wordt als ontheven van alle stads- belastingen. In 1309 werd dat abdijhuis, toen gezegd gelegen te Zijn supra Mosam ex opposito scole Fudcorum (op de Maas tegen- Over de school der Joden) verkocht. De overdracht aan het kapittel van St. Servaas van talrijke cijnzen is te vinden in N° 73D. In 1377 was er eigenaar van Dirk vaN Oost, ridder (3). Het schijnt
() Maasgouw 1889, p. 168.
N° Annuaire 1825, p. 118; FRANQUINET, /#v. O. L. V. 1, p. 5; Publications etc. » P. 403.
(*) FRANQUINET, /nv. O, L. V. II, p. 51, 119.
_ 72 —
echter dat het huis naderhand weer aan de abdij terugkwam, want in 1662 werd het door haar verkocht om de schulden te kunnen betalen die de abdij gedurende den oorlog had moeten maken (1.
Bij den aanleg van het Luiker-kanaal (1845-1850) waarvan hier- boven werd gewaagd, en die op kosten van het Belgisch gouverne- ment geschiedde, werd de tiende boog der Maasbrug tegenover de Brugstraat afgebroken, terwijl wel vijftig of zestig huizen van af die straat tot aan de St. Anthoniuskerk hetzelfde lot onder- gingen; bij den afbraak bevond men „dat daer onder palen, soo dik als boomen, waren ingeheit geweest” (2).
Mede verdwenen toen het zoo bij uitstek schilderachtige huis van de familie P. Stevens-Bonjour (3), gelegen aan de ook bij die gelegenheid gesloopte Jodenpoort. Het had met zijn houten galerijen het aanzien van een Italiaansche constructie. PETER DE GROOTE bij zijn bezoek aan Maestricht (27;28 Juli 1717) logeerde er, zooals blijkt uit het garnizoens orde-register van dat jaar. Het heet daar dat „Seyne Majesteyd zal logeeren by Kerens aen de „Maes, hoewel de Hr Gouverneur zijn huys gepresenteerd had” (£). Eene prachtige afbeelding in olieverf van dat huis door Alex. SCHAEPKENS is in mijn bezit.
Huizen in de Bokstraat en hunne bewoners.
In 1326 (N° 197 D) wordt een huis met aanhoorigheden vermeld supra locum dictum Boxtat, in erfrecht opgedragen aan Petrus TOME, molenaar; het was gelegen naast dat van Arnoldus ROLANT, vleeschhouwer. De aanteekening op den rug, dat het huis lag in platea pistorum, in de Broodstraat, duidt aan dat het op den hoek van de Stokstraat gelegen was, want deze laatste straat werd in de middeleeuwen vaak Broodstraat genoemd.
In 1380 wordt in een cijnsboek van O.L. V. kerk vermeld het huis van Melle geheeten FREMENTYERS gelegen in opposite eccleste Augustinensium tusschen het huis van Johannes OESLINGER en dat van HECKINI, visscher (5).
(1) Afaasgouw 1883, p. 834.
(2?) Ibid. 1889, p. 176, 184.
(5) Publications etc. Il, p. 443.
(*) Annales etc. I, p. 295.
(5) FRANQUINET, Zuv. O. L. V. I, p. 5.
— 13 —
In 1390 (N° 928 D) is er sprake van het huis op ghene boxstat tusschen het erf van Philips VAN BASYELISBUR (1).
In 1391 (N° 930D) van een huis met toebehoor gelegen vur die masebrugge tegen die Ausustyne oever, het werd bewoond door de weduwe van Goedart VLENERS en hare zes kinderen.
In 1393 (N° 958D) wordt aan Conrarde VAN GRUYTROEDE, den stroedecker,, en Kathrynen VAN MERSEN, in erfpacht opge- dragen een huis met annexen gelegen op grenen boxstat tusschen het huis van Philips YAN BASYELYSBUER en dat van Ernken VAN STEYNE, smid.
In 1398 (Ne 1008D) wordt aan Lambrecht genaamd LAMSON, der houtmenger, en zijne echtgenoote Sophyen in erfrecht opge- dragen eene koefstat (hoefstede) gelegen op ghene boxstat tusschen het huis van Mathys vAN BYECHT, bakker, en het panhuis van wijlen Leonard VAN LYKCHTENBURCI.
In 1399 (N° 1021 D) wordt aan Johan VAN DEN ZANDE, kramer, en zijne echtgenoote Aleyde in erfpacht opgedragen een huis ge- legen voor de Maasbrug op den oerde (hoek) van den visschemarckt tegenover het klooster der Augustijnen, tusschen het huis van HALLAER en dat van Lysen ZUPEN.
In 1416 (N° 1177D) wordt vermeld het huis van Severyn RIEMSLEGER bij de Maasbrug naast het huis van Peter der cremer en den ynganck der Augustijnen.
In 1429 (N° 1288 D) een huis op de boxstat tusschen dat van Wilhelm van REPEN en dat van Mathys VAN PARYS.
In 1447 (N° 212F) bezat Johan VAN ACHELEN, bakker, een huis gelegen optie boxtat tusschen het huis van Mathys DOEMs, vleeschhouwer, en dat van Johan VAN DILSEN, bontwerker.
In 1457 (Ne 1445D) is er sprake van het woonhuis van Peter MOER tegenover het klooster der Augustijnen (bij de Maasbrug) tusschen Sint Everskirchoff en het huis van Reyner DUYKERS.
Vóór en na het beleg van 1579 woonde Hendrik BIESMANS, bakker, op de Bokstraat (©).
In 1784 den 20 Mei werd op de Bokstraat geboren de groote
(4) Zie omtrent die familie die ook elders in de stad goederen bezat, bij de 'apoenstraat en de Kleine Staat.
(?) HAAKMAN en ALLARD, De zoogenaamde verwoesting van Maestricht, p. 184.
_— TT —
Maestrichter beeldhouwer Mathys KESSELS; hij overleed in 1836 te Rome. Naar hem werd de kade waar zijn geboortehuis had gestaan, genoemd (1).
10. De Boschstraat.
Zij lag op het einde der XIII eeuw nog buiten den walmuur die van ’t uiteinde der Groote Gracht in schuine richting naar den ingang der Kleine Gracht liep en dus de Markt in tweeën deelde. Het gedeelte gntra muros werd de Saterdagh merkt genaamd, dat exéra muros, dus ook de tegenwoordige Boschstraat, de foltmerkt. In plaats van de toenmaals bestaande stadspoorten, waarover nader bij de behandeling der Markt, bouwde men in 1298 of 1299 eene poort buiten de Moltmerkt. De stad was overigens in het begin der XIVe eeuw nog grootendeels alleen door grachten omgeven, hetgeen blijkt uit eene limietbeschrijving van 1304 (2). De Boschpoort in den toestand waarin ze was tijdens hare slooping in 1869, dagteekende van hare herstelling in 1508.
Drie der torens (bastions) tusschen deze poort en de Maas waren van veel oudere constructie, de vierde die den noordelijken hoek der stad vormde en door de Maas bespoeld werd, heette voorheen de O. L. Vrouwe toren (3).
In het testament van Elisabeth MANEGOLDS (1316) is van die poort melding gemaakt als de poort verwijdert van de houtmarkt en in een ander document als de buitenpoort waardoor men naar Hocht gaat (©).
De Boschstraat vormde zich langzaam en werd nog in 1412 de Houtmarkt genoemd (N° 1141 D), later werd zij Eyckerweg (Maes- eyckerweg) genoemd (5). |
Aanvankelijk lagen daar nog vele terreinen onbebouwd die door de hoveniers of gerdeniers tot moestuinen gebezigd werden; het
(‘) Zie de geïllustreerde levensbeschrijving van Math Kessels door Arnaud ScHarr- KENS; eene teckening van Kessels’ geboortehuis komt daarin voor p. 6. -
(3 Publications etc. XIN, p. 592.
(5) Annuaire 1527, p. 122.
(*) nnudes 1, p. 93, 95, 97.
(&) Nécrologium der Kruisheeren, Puéiiations etc. XXXIX, p. 96.
_ 15 —
uiterste gedeelte der straat wordt dan ook aangetroffen onder de benaming van onder de gerdenieren; eene soortgelijke uitdrukking werd vaak gebruikt om plaatsen aan te duiden waar zekere am- bachtslieden bij voorkeur woonden; zoo bijv. onder de korven- makers (Cörverruwe, onlangs Cörversplein gedoopt); inter cerdones voor de Looierstraat, inter tinctores voor den Ververhoek enz.
In een schepenbrief van 1410 (N° 146 F) is er sprake van een erf popelersguet geheeten, gelegen op de Houtmarkt onder die ger- denere, dat zijn naam ontleende aan de boomen die er voor stonden.
Naderhand werd den naam Zycherweg vervangen door dien van Hochtesr weg tengevolge van de stichting van het toevluchtsoord van het klooster der H. Maria van Hocht, dat in 1382 (N° 869 D) en zelfs reeds in 1325 vermeld wordt {N° 196 D) (1)
In een opstel dat vele wetenswaardige bijzonderheden bevat Aangaande de Refugie van Hocht door de ouderen van dagen nog onder dien naam bekend, deelt de heer H. P. H. Eversen mede dat hij ervan voor ’t eerst melding vond gemaakt in 1531 bij de verbouwing van den gevel en in 1554 dat door den Raad aan de abdis van Hocht voor 10 gulden brabantsch afgestaan werd een straatje van slechts 3 voet breed achter haar huis gelegen (2).
Waren hem toen bovenaangehaalde schepenbrieven onbekend?
Bij de beschrijving der limieten der stad in het begin der XIIIe eeuw zegt DE LENARTS dat ten noorden daartoe dienden langs den Hochterwegh tot aan de weyden van St. Servaas en de kluys van St. Anthonins (3). Deze benamingen slaan op terreinen binnen den Walmuur getrokken. Een dier weiden „achter de kluis van St. An- thonius gelegen” werd op 13 Februari 1362 door het kapittel van St. Servaas aan de ridders der Teutonische orde ten geschenke gegeven (£), die er hunne prachtige commanderie De nieuwe Biezen stichtten, aldus geheeten in tegenstelling van de Oude Biezen te Bilsen waar de hoofd-commanderie gevestigd was.
_ Vóór de vestiging van het Penitenten-klooster op de Boschstraat in 1673, ter plaatse waar thans de Penttentenpoort van de fabriek
men
(1) Zie ook DE LENARTS, in Publications etc. IT, p. 26. (2) Maasgeuw 1838, p. 834.
(? DE LENARTS, in Publications etc. IL, p. 26.
(*) Idem, ibidem II, p. 44.
—. 16 —
„de Sphinx” nog daaraan doet denken, heette dat terrein Bus- schuttenhof; het maakte vroeger deel uit van de goederen der evengenoemde Duitsche Orde ‘hier gevestigd omstreeks 1230, en werd aldus genoemd omdat het in gebruik was geweest als exer- citieveld van de boog- later busschutters (1). Eenige burgers kochten het van den burgemeester DE GRATI en stonden het af aan de nieuwe communiteit (2). ’t Zal wel op dat terrein zijn geweest dat de gezworen voetboogschutters „van den kerspele van St. Anthoenis” hunne verzamel- en oefeningsplaats hadden, daar- gesteld kort na de belegering van 1408 door de Luikenaren (3). Dat gilde verwisselde later zijn voornaamste wapen, den handboog, tegen de bus naar welk vuurwapen zij busschenschutters of clove- nieren (arquebusiers) geheeten werden; wij vinden het o. a. om- streeks 1441 vermeld als „het oud en vermaerd genootschap der „Stads arquebusiers, dat de H. Sacraments-processie der parochie „van St. Mathias omringde, onder het spelen van trompetten en „timbalen en het gedonder van het grofgeschut” (+).
In de XIV< en XVe eeuw werden de proosten van St. Servaas zittende op een paard of muilezel door de kanunniken aan de Hochterpoort ingehaald. Na de plechtige installatie werd in de kerk van St. Servaas een gastmaal gehouden (6).
Huizen op de Boschstraat en hunne bewoners (6).
In 1323 (N° 69W) is er sprake van goederen gelegen supra paludem (op den poel) zu foro lignorum tegenover de open plaats van wijlen Hendricus Sac.
(1) In 1280 werden de boogschutters van Maestricht genoodigd op een wedstrijd in Doornik (kroniek A/aasgonuw 1886, p. 47).
(2?) von GEUSAU, Publications etc. XXXI, p. 115,
(8; Jos. EVERSEN, d/aasgouw 1904, p. 5, waar ook hoogst merkwaardige bijzon- derheden te lezen zijn omtrent de constitutie, de previlegiën, de kleedij enz. der gilden.
(+) Hist. beschr. der St. Mathiaskerk, Public. XXIX, p. 379.
() Zie uitvoerige bijzonderheden: „Annuaire 1828, p. 155; Annales etc. T, p. 104 en Publica'tons etc. XXVIII, p. 235.
(5) Zie ook, voor misschien enkelen, bij de Æ/oufmark*{t onder welke benaming de Boschstraat immer in de middeleeuwen voorkomt. De hier vermelde lagen blijkbaar op deze laatste straat zooals uit omschrijvingen en ook uit den naam hunner be- woners afteleiden is.
mr
"6991 u} veensyosog AA
2
yon 7} Eg 9 lou
ek wie
(
. OPLT UE 3eBnsUpsog 2Q
— 11 —
In 1332 (N° 249 D) van twee onbebouwde stukken grond fareae) op de Houtmarkt; het eene gelegen naast het erf van Johannes KELREMAN, het andere tusschen dat van Theodericus Dr ROGGE.
In 1346 (N° 417 D) lag de bakkerij van Johannes VAN DILSEN op de Houtmarkt tegenover de curia (hofstede) van Henricus SACH. (Zie hierboven op 1323).
In 1349 (N° 118W) is er sprake van goederen gelegen op den Houtmarkt nabij den poel, tegenover het huis van Hendricus geheeten SACK, op den hoek der St. Anthoniusstraat (zie hier- boven op 1323 en 1346).
In 1353 (N° 496 D) wordt een grondcijns overgedragen uit een huis met hoeve en aanhoorigheden, gelegen op de Houtmarkt naast het erf de Mayo en dat van Elisabeth GREVEN. In denzelfden brief is er ook sprake van een stuk land aldaar aan den anderen kant gelegen tusschen het erf van Johannes POPELERE en dat van Tilmanus DE BOXBERCH.
In 1380 (N° 865D) wordt vermeld een huis van Renier DOLWAY, pastoor van St. Mathias, die ook bij de Mariastraat voorkomt, gelegen op de Houtmarkt nabij voornoemde kerk, tusschen het kerkhof en de goederen van Mathias BoBART.
In 1410 (N° 146F) wordt genoemd het goed geheeten fopelers- guet (naar de populieren die er groeiden) gelegen op de houtmarck onder die gerdenere (d. i. op het nog onbebouwde gedeeite der Boschstraat waar de hoveniers hunne moesttuinen hadden). In 1450 wordt dat goed nog vermeld (1). Zie ook hierboven op 1353.
In 1411 (N° 1134D) is er sprake van het op de Houtmarkt gelegen, Flassarts guede; het was bewoond door Marsielis VAN VLEYTINGEN en gelegen naast een huis der Balie Biessen geheeten ten hoevel en naast dat van Dyerix SAxs; deze familienaam komt op de Houtmarkt voor hierboven in 1349, 1346 en 1323.
In 1423 (N° 1246D) van een huis op de Houtmarkt tegenover de Grachtstraat gelegen tusschen dat van Henrix HULSLOE, den jonge, en dat van Hoeken VAN LODENAKEN.
In 1424 (Ne 1254D) van goederen van oudsher geheeten die Zuede van Boxberch, ende guede Gysen Gabbarts gelegen op de Houtmarkt, tegenover de St. Antoniusstraat, naast het huis van
(1) Publications etc. XIX, p. 399.
— 78 —
Willem VAN DEN BYESSEN en met den achterkant uitkomend op den wal en stadsmuur.
In 1442 was de „waelplaetze van het Sint Anthoenis kerspel, van „Hochter porte tot opten torne achter den Scutten hoeff”. Goesen HAERDVOUYST was er de overkheutsman vans Reyner JOERSKEN, Lens MAESSENS, Anthoenis BUTINXT, Servaas RAUER en Jan HEUTZ de hoofdlieden (1).
In 1480 lag er een huis die witte hinne genoemd, tegenover de St. Mathiaskerk (2).
In 1453 (N° 248 F Noot 2) wordt het huis vermeld van Ghyssen VAN BESSEMER gelegen op den Zoltmerckt naast St. Mathyskerkhof.
In 1528 wordt het logement vermeld #7 den rooden leeuw bij de weduwe HAGEMANS naast St. Mathyskerk (8).
In 1534 was Dirk vAN LIECK, wonende op de Houtmarkt, voor- malig rentmeester der Antonieten, een der weinige personen van eenig aanzien die hier tot de anabaptistische sekte behoorden (4).
1656 Servaas NyPELs, vleeschhouwer, echtgenoot van Anna Nrs, verpandt zijn huis Boschstraat, den Os, naast het panhuis en het huis van Willem DECKERS.
In 1740 lag het huis zu den dobbelen Arent tegenover de Beelt, en dat ir den Roskam twee huizen verder als de St. Catharina kerk C). 19 December van dat jaar stond het Maaswater tot aan die huizen.
In de XVIII eeuw heette eene uitspanning op de Boschstraat in Keyscrshof (©).
In 1748 was het huis in de Swaan eene herberg en speelhuis (7).
‚De poel hierboven reeds vermeld lag aan den ingang der Gracht- straat, hij werd eerst in 1703 gedempt (8).
(1) Publicatijns etc. XIX, p.389. Over het Penitenten-klooster op den Schuttenhof „meteene huyzing daar neven de Straale poort genaamd”, zie Public. XLII, p. 60. Dat klooster werd bij het beleg van 1676 erg beschadigd en door den graaf van Tilly hersteld. Ibid. p. 61.
(°) FRANQUINET, Zuvent. O. L. Vr. Il, p. 27.
(3) Publications etc. XXIX, p. 382.
(!) Jos. Hagers, Te Wederdoopers, zie alph. Reg.
(5) Maasgouw 1903, p. 36 en ibid. 1888, p. 55.
(6) Ibid. 1900, p. 75.
(*) Ibid. 1880, p. 268.
(©) Faarboek 1851, p. 266.
— 19 —
In 1765 of 1768 werd de Boschstraat „met twee linieën linde- „boomen op de Hollandsche wijze” beplant (1).
11. Bouillonstraat.
Bij het nagaan der hieronder volgende aanhalingen uit schepen- brieven waarin Ket Balioen voorkomt, zal het den lezer opvallen dat schier nimmer de naam dier plaats of straat op volkomen gelijke wijze vermeld staat. Zij wordt naar gelang van het tijdstip waarin ze voorkomt achtereenvolgens genoemd Balioen, Balyon, Boljuyn, Boltoen, Balyuen, Baluin, Baelyuen, Bailiuen, Balyuyne enz.; in de XVII: eeuw werd nog geschreven op den Baljuyn.
Eene nauwkeurige beschrijving te geven van het stadsgedeelte dat onder die namen bekend stond, is moeielijk, aangezien in den loop der tijden den toestand ter plaatse aanmerkelijk gewijzigd is.
Men mag echter op grond der navolgende beschrijvingen, die dikwijls den naam vergezellen, aannemen dat de tegenwoordige Bouillonstraat misschien wel vóór de XVIe eeuw als plein, een gedeelte uitmaakte van het voormalige Balyoen even als dat ge- deelte van het St. Servaasklooster dat van het Vredeplein naar het Gouvernements-hôtel voert.
Er was toch in 1360 sprake van het baelyun retro ruellam Sancti Johannis, en met deze ruella zal wel bedoeld zijn de straat die van het Vrijthof bezijden de St. Janskerk naar het St. Servaas- klooster voert; ook de aanduiding in 1362 van de straat leidende naar St. Servaasklooster schijnt zulks te bevestigen, evenals de omschrijving van 1384 en 1385.
Dat de tegenwoordige Bouillonstraat en het Gouvernementsplein deel uitmaakten van het Ba/ioen vindt bevestiging in de aanduiding in 1405 waar het luidt op den baljuyne daarman gheyt van St. Servoes cloester te Lenculen wart en in 1310 en 1356 waar het Balyoen een plein genoemd wordt.
Waar lag het voor dien tijd (XIV° eeuw) voorname huis (poort) van Ridder VAN EYNENBERCH, hetzij aan de zijde van het Gou- vernements-hôtel, dan wel daartegenover waar thans de heeren: woning met area van den heer van Rijckevorsel is?
(*) Maasgouw 1897, p. 2 en 1888, p. 83.
— 80 —
De gegevens van 1347, waar gewag wordt gemaakt van een steenen huis onder Lenculen, gelegen tegenover het huis DE EYNEN- BERCI, pleiten voor het laatst genoemde emplacement; die kant toch van het plein of straat behoorde tot den claustralen singel en dus tot het gebied van Tweebergen waarvan de Hoogproost van St. Servaas heer was; de tegenoverliggende kant waar het voornoemde steenen huis stond, behoorde tot den Vroenhof (Lenculen) (1).
Wel schijnt die redeneering te falen door het medegedeelde bij de Lenculestraat (in 1395 Ne 973D) waar er sprake is van een huis zich uitstrekkende tot aan de schuur van heer Willem DE EYNENBERCH, waaruit kan afgeleid worden dat de „poort” aan de zijde van het Gouvernements-hôtel lag, edoch ’t is niet bewezen dat die schuur deel uitmaakte van het complex DE EYNENBERCH. Overigens schijnt het aangehaalde bij de Tweebergen straat (in 1401 Ne 528D) een nieuw bewijs op te leveren voor het empla- cement tegenover het Gouvernements-hôtel.
De grens tusschen het Belpoen en de Papenstraat is onzeker, zooals blijkt uit N° 94F van 1359, hieronder te vinden.
Dat de naam Balyoen, destijds op allerlei grillige wijzen ge- schreven, aan den naam herinnert van den grooten Godfried VAN BOUILLON, Koning van Lotharingen en eersten Koning van Jeru- salem, komt Dr Doppler als zeer waarschijnlijk voor (2).
Hij heeft toch zeker te Tricht geresideerd en had daar ter plaatse waarschijnlijk een paleis, want in 1096, vóór zijn vertrek naar het Heilige Land, schonk zijne moeder Ida, met zijne toe- stemming en met die zijner broeders Eustachius en Baudewyn, de kerk en de tienden van Genappe aan de abdij van Affligem en vond die schenking met grooten luister plaats iu Sr. Servaaskerk.
Dat de spelling van den naam van Bouillon niet altijd de te- genwoordige is geweest vindt bevestiging in het werk „Merk- waardige kasteelen van Nederland” door van Lennep en Hofdijk s in eene beschrijving der Kruistochten gewagen zij van Godfried van Bolioen. Die spelling, zeer zeker niet zonder historischen grond gebruikt, is hieronder terug te vinden in N° 441 D van 1347.
ne en neee
(1) Zie Publications etc. XIX, p. 375. (?) Nécrologie de la Confrérie des Chapelains de St. Servais à Maestricht, p. 41, Noot 3,
— 81 —
Otbert, bisschop van Luik, verklaarde in 1096 (N° 21 W) dat hij zich tengevolge van het vertrek naar Jerusalem van hertog Godfried en andere vorsten, zoomede door den koop van het slot Buljoen, in groote schulden heeft moeten steken.
Eenige historische gegevens aangaande het ter plaatse liggende Gouvernements-hôtel mogen hier in herinnering gebracht worden.
In den Spaanschen tijd hielden de civiele- en militaire gouver- neurs der stad hun verblijf in het Spaansch Gouvernement langs het Vrijthof daartoe door de Magistraat van het kapittel van St. Servaas gehuurd. Ook werden later andere groote eigendom- men in de stad daartoe gebezigd. Eerst in 1626 ging men ertoe over om eene vaste verblijfplaats voor de civiele gouverneurs aan te schaffen en in te richten. De militaire commandanten resideer- den op de Tongersche straat (huis Kerens de Wolfrath).
Twee naast elkander gelegen huizen in de Bouillonstraat, nabij de oude Lenculenpoort, werden aangekocht, het eene van de erven VAN BUEL voor 4800, het andere van PASTroIR voor 2200 Luiker guldens en verbouwd tot hôtel.
Tijdens het gouverneurschap (1641-1648) van den Graaf VAN SOLMS TOT BRAUNFELS, zwager van Prins Frederik Hendrik, die groote weelde ten toon spreidde, bleek het hotel, destijds 4e Hof genaamd, te klein. In 1656 werd voor 460 L. guldens een huis van Mathias NOYEN en in 1658 een huis van Marcus PITTEN voor 990 L. gulden aangekocht en tot verruiming van het hôtel verbouwd ; ook stallen en koetshuizen werden er toen aan toegevoegd. In 1666 kocht burgemeester CAUWENBERG tot hetzelfde doel een huis aan van MARTIN voor 3000 L. guldens. In 1777 werd de voor- gevel en de rechter vleugel vernieuwd en eene tweede verdieping met mansarden gebouwd. Het werk werd uitgevoerd door den aannemer H. SoIRON en kostte 52330 L. guldens.
Als een staaltje van de ridderlijke wijze waarop destijds een an- tagonist in den oorlog werd behandeld, diene dat de Graaf VAN AYLVA die de stad tegen de Franschen had verdedigd in 1748, bij de capitulatie, van den Franschen bevelhebber ten geschenke ontving 4 kanons en 2 mortiers met hunne affuiten die in De. cember 1749 voor het Gouvernements-hôtel geplaatst werden (1).
(1) Chroniek van Maestricht, Maasgouw 1880, p. 210.
— 82 —
Al de kosten der vernieuwingswerken werden door de Gemeente betaald die ook de groote zaal op de eerste verdieping met por- tretten in levensgrootte van de zich opgevolgd hebbende gouver- neurs voorzag.
In de Croniek van van Gulpen (1) staat aangeteekend dat in 1746 nog „acht portretten van Gouverneurs ad 25 ducaten het „stuk sonder de lysten aangekocht werden om op de groote zaal „te setten by de gouverneurs hunne portretten”.
De Fransche Republikeinen deden, helaas die portretten ver- d wijnen.
Napoleon heeft in het Gouvernements-hôtel herhaaldelijk gelo- geerd; ’t is ook daar dat de Vorstelijke Personen uit het Huis van Oranje verblijf hielden tijdens hunne bezoeken aan Maestricht.
Tot 1858 bleef het Gouvernements-hôtel eigendom der Gemeente; den 11 Januari van dat jaar werd het aan het Rijk verkocht voor f 44500.-- welke som gebruikt werd tot de stichting der gasfabriek.
In 1770 werd het tegenwoordig tot IJkkantoor dienende gebouw op kosten der stad verbouwd, van daar de stadsster in het fronton.
Huizen in de Bouillonstraat en hunne bewoners.
In 1296 (Ne 44D) wordt vermeld het woonhuis met area van Henricus ÎASTE, priester en omschreven als liggende achter de hofstede van Theodoricus DE EYNENBERCH die zooals hierboven vermeld en verder nog zal blijken in deze straat woonde.
In 1310 (Ne 76D) worden twee huizen aangetroffen door Jan VAN ROTHEIM toegekend aan Gerard genaamd HAECHMAN, gelegen tusschen het plein het Bulyun en de muur van het huis van den deken van St. Servaas.
In 1336 (N° 77D) wordt door evengenoemde Gerardus HAGE- MAN en zijne echtgenoote vaarwel gezegd, aan de rechten welke zij op de hierboven vermelde goederen bezitten ten behoeve van Billa de weduwe van Johannes DE RAETEM; in eene aantee- kening op den rug van den brief worden de huizen gezegd te liggen supra balioen. |
In 1340 (Ne 338 D) is er sprake van eene area (open ruimte) gelegen in de straat, die van het #a/yon leidt naar St. Servaas-
(1) Maasgouw 1888, p. 69.
— 83 —
klooster, tusschen het huis van Henricus genaamd NEELKEN en de maxilla (post?) der poort die toegang verleent tot zijne schuur, welke «rea, lang 34 voet en breed aan de straat 11 voet zich van achteren uitstrekt tot aan het huis van Billa DE EyckKe.
In 1347 (N° 441D) wordt een cijns vermeld op een houten huis toebehoorende aan den zoon van wijlen Johannes DE MONTENAKEN, rentmeester van het graafschap Loon, welk huis wordt gezegd gelegen te zijn onder Lenculen op den bolinyn naast het steenen huis dat tegenover het huis van wijlen Danyel DE EYNENBERCH (1), ridder, staat, van den eenen kant fra unum murum de marlari- bus factum (muur van leem gemaakt) en het huis der kinderen van wijlen KOKENMEYSTER, van den anderen kant naar St. Ser- vaasklooster. Deze bijzonderheden worden bevestigd in Ne 117 W van hetzelfde jaar.
In 1354 (N° 145 W) wordt het huis van Box vermeld als liggende super boelioen tegenover dat van ridder Willem DE EYNENBERCH.
In 1356 (N° 542 D) worden vermeld twee huisjes op het plein geheeten balyuen, tusschen dat van Margareta DE EYCKE en den muur van het huis van Johannes DE WAMBEKE, kanonik van het St. Servaaskapittel (zie hierboven op 1340).
In 1356 (N° 550 D) een cijns op een huis gelegen op de f/uats geheeten der balyuen retro curiam et penes (achter en nabij) marum domini ducis Brabantiae, toebehoorende aan Gerardus zoon van wijlen Aleydis DE PRONEN (Proenen? zie Brugstraat) koopvrouw en door deze overgedragen aan Franco DE EvKE. In N° 551 D is er wederom sprake van hetzelfde huis.
In 1356 (N° 552D) is er sprake van een huis met toebehooren gelegen in vico dicto bolyon naast dat van Beatrix NOESKENS.
In 1359 (Ne 94F) komt het huis voor bewoond door Macha- rius DE HESE benevens het daarnaast gelegen huis van Johannes DE RUPE; een daarvan heette Kef huys van St. Facob. Zij waren volgens eene noot op den rug van den brief gelegen zu die papenstraat, volgens eene andere noot van veel oudere dagteekening op den baluin,
In 1360 (N° 637 D) een huis in de platea dicta baelyuen retro
(1) Zie bijzonderheden over dit geslacht: FRANQUINET, /#v.nf. O. L. Vr. 1, p. 128; Publications etc. 1, p. 60; IV, p. 431, o. a. ook N° 246D en N° 17D. Zooals hier- boven werd betoogd lag de „poort” DE EYNENBERCH tegenover het Gouvernements- hôtel.
— 4 —
ruellam sancti Fohannis, gelegen tusschen het zooeven genoemde huis van Macharius DE HESE en dat van Johannes MOREEL.
In 1362 (1) droeg deze Johannes MoOREEL dat huis over aan Eustachius DE ELST, tector domorum (stroodekker); het wordt be- schreven als liggende open baïliuen op den hoek tegenover de poort (huis) van ridder Wilhelmus DE EYNENBERCH en tusschen het huis van Johannes den zoon van Gerardus DE RIEMST en de platea pergens (de straat leidende naar) ad claustrum sancti Servatit.
In 1363 (N° 681 D) wordt vermeld het huis van Gerardus CATSERT gelegen supra plateum dictum baelyuen naast dat van Hermanus DE MONTENAKEN (zoon van Johannes), genoemd in (1347 Ne 441 D) precc (gerechtsbode) van het hof van Lenculen.
In 1363 (N° 686 D) het huis van Henricus DE RIEMST op der baelyuen naast dat van Eustachius DE EELST, placcator (plakker) en dat van Beatrix de dochter van wijlen Henricus NEESKENS; [dezelfde namen komen hierboven voor in 1356 (N° 552 D), in 1363 (N° 678 D) en in 1362 QC]:
In 1384 (N° 893 D) wordt in erfpacht opgedragen een huis ge- legen retro ecclesiam sancti Fohannis in platea dicta op den baluyne, gelegen tusschen dat van Goeswinus, /apicida (steenhouwer) en dat van Margareta MYNNENBOEDE.
In 1385 (N° 897 D) wordt genoemd Rutgherus VAN BALIUYNE als wonende in de Kokarteruwe (Kruisheerengang).
In 1385 (N° 903 D) wordt een huis vermeld gelegen zn platea dicta op den baliuyne retro claustrum St, Servatii, naast het huis van Mathias de NOVOLAPIDE (VAN DEN NUWENSTEEN) en dat van Mathias DE BOELRE.
In 1385 (N° 907 D) wordt in erfrecht opgedragen een huis ge- legen platea dicta op den balyuyne achter St. Janskerk; bij dezelfde gelegenheid wordt weer het reeds in 1359 {N° 94F) en in 1360 (Ne 637D) vermelde erf van Macharius DE HESE genoemd en be- schreven als liggende tusschen het oude huis van Johannes DE RUPE en de porticus van Hadewidis DE CLEMMEN. |
In 1387 (Ne 432D) bezat Petrus DE BERGHEYM, cléricus, een huis op St. Servaasklooster zu platea dicta op den baljuyne.
In 1396 (N° 284 W) wordt genoemd Johannes BALIOEN, ênves- titus der St. Nicolaaskerk.
(!) Alex. SCHAEPKENS, Publications etc. I, p. 57; N° 678D vermeld 1863,
mm OR) —
In 1397 (N° 976 D} komt voor het huis van Aleyde Vogirers gelegen often baelyoen tusschen die van wijlen Jacob VAN THOENEN en van Johannes VAN RUEST.
In 1398 (N° 987 D) een huis gelegen opden baelyeen tusschen dat van Aleydis CoNYNCKs, weduwe van Lambertus CONYNCKS en dat van wijlen Goeswinus, steenhouwer, en van den achterkant zich uitstrekkende tot aan het huis van wijlen Henricus DE LAVA- TORIO, kanonik van St. Servaas.
In 1405 (N° 1066D) doet Beateren (Beatrix) de natuurlijke dochter van wijlen ridder Arnolt VAN SINT MARGRAETEN afstand van eene jaarlijksche rente uit haar woonhuis en uit het daarnaast gelegen huis bewoond door Ymmele gelegen op den baljurne drer- man gheyt van Sint Servoeskloester te Lenculen tart, naast den tuin van Peter GIELES, kanonik van St. Servaas en naast het huis van Johannes MEYER.
_ In 1405 (N° 1070D) wordt het in 1396 (Ne 284 W) genoemde
erf, thans geheeten A/eyden Voghels guet, weer vermeld als gelegen op den balioen tusschen het huis van wijlen Jacob THOENEN en dat van Jan VAN RUEST, stepnmytzer (vergelijk N° 976 D van 1397).
In 1412 (Ne 1139D) wordt een huis opten balyuyne, gelegen naast .dat van Goedard BUETEN en Hillen diens echtgenoote en dat van Arnold ZELMANS aan eerstgenoemde opgedragen.
In 1413 (N° 1152 D) bezat Arnold SPEELMAN, procureer of den Bulyoen een huis naast dat van Aleyt SMEETS.
In 1415 (N° 1171 D) worden vermeld twee naast elkander gelegen huizen opten balyuyne naast dat van wijlen den proost van St. Lam- bertuskerk te Luik, thans behoorende aan den hertog van Brabant en naast dat van Wilhelm VAN EYMOLE, scroeder (kleermaker).
In 1416 is er sprake van Diederic VAN EYNENBERGH, knape te wapen.
In 1420 (N° 11538D) van eene erfjaarrente uit het huis van Arnolt SELMAN, der procureerder gelegen opden balyuyne (zie op 1412 N° 1139 D).
In 1443 (N° 1371 D) van het huis van de weduwe van Gobbel VAN HELMONT, gelegen opten bolyuyn naast het hare en naast dat geheeten des hertogen hoeff. (Zeker het in 1415 bedoelde erf).
In 1447 (N° 210F) wordt aan Aleyde, weduwe van Johan
LENTMANS een jaarcijns afgestaan op het huis van Maria VAN 6
—_ 86 —
LOEN, gelegen open baelluyn tusschen het huis van Dyonys CAN- TELBERGER en dat geheeten bachuysguet.
In 1450 (N° 1399D) is er sprake van het woonhuis van Engel- brecht BUETONS, priester, gelegen opten baljuyne, naast dat van Peter NEVE, kanonik van St. Servaaskerk en dat van Dryes VAN WELRE, der scroeder. |
In 1451 (N° 988 D) wordt door Kathryne Die BRUYT en haar zoon Ghyse eene erfrente afgestaan uit hun huis opden balyuyun.
In 1455 (N° 1432D) is er sprake van twee huizen opten bul- yuyn toebehoorende aan Johan VAN OPHEM gelegen tusschen het huis van Johan BROEDERS en dat van Herman VAN ALDENRODE.
In 1458 (N° 1457 D) van het woonhuis van Johan FRATRIS, priester, opten Buluyn naast dat van den abt van St. Jacob te Luik, naast dat van Johannes VAN OPHEM en het huis van Herman VAN ALDENHOEVEN; (zie hierboven in 1455) ook wordt daar ver- meld een Koefken achter het huis van laatstgenoemde dat begrensd werd door der Susteren hoeff en door den tuin van VAN DER SCHUEREN.
In 1510 wordt bij de limietbeschrijving van den Vroenhof (1) genoemd het huis Mobertingen opden balyuyn in Sinte Servaes clvester gelegen.
Alex. Schaepkens (2) heeft in een register van 1556 aangetroffen dat Joncker AERTS VAN BUNDE te Tricht woonde opte Bulioen.
In 1626 wordt bij eene nieuwe limietbeschrijving van den Vroen- hof (3) weer genoemd het huis Mopertingen op den Baljuyn.
In 1743 bestond er tegenover het Gouvernements-hôtel een huis genaamd de Meloen (4). Zou dat huis hebben plaats gemaakt voor de steenenwacht die in 1770 gebouwd werd?
(1) Publications etc. XIX, p. 397,
(2) Ibidem I, p. 69.
(8) Maasgouw 1905, p. 59.
(4) F. DazerT, Gesch. kloosters H. Graf, p. 84.
— 871 —
| 12. De Breedestraat. (Lata Platea).
De Lenarts schrijft omtrent die straat (1) dat ten tijde van Graaf Albuinus in het begin der X° eeuw, dus lang vóór de omwalling of de herstelling der omwalling der stad (omstreeks 1229) de door- tocht van Brabant naar Duitschland plaats had binnen Tricht door de Via regia of Breedestraat. Deze sloot aan, aan de straat die langs de later gebouwde St. Janskerk en de St. Servaaskerk, verder over het Klooster en St. Servaas-Commel liep om dan aan te sluiten aan den toenmaligen Romeinschen steenweg die naar Tongeren voerde. Bij het bouwen van het riool in 1860 vond men in de Breedestraat vijf voeten onder het plaveisel overblijfselen van de oude Romeinsche chaussée; zij was van cement met kiezel en vuursteenen van St. Pietersberg aangelegd (°). Bij de behandeling der straat achter het Vleeschhuis is aangemerkt dat volgens Franquinet de Romein- sche heirbaan binnen Tricht langs deze laatste straat liep. Aan- gezien de toenmalige Maasbrug de beide Maasoevers verbond aan de Porta Regia of Cassei-poort, later de ©. L. Vr. poort, en het daartegenover liggende zoogenaamde Waterpoortje, schijnt de be- wering van de Lenarts de meest aannemelijke.
Omtrent de ligging in deze straat van de St. Vincentius-kapel, wordt in de onderstaande aanhaling nader gesproken.
Huizen in de Breedestraat en hunne beweners.
In 1297 (Ne 43F) wordt op den hoek der Breede- en der Sweef- straat (Wolfstraat) een steenen huis vermeld #2 qua domo cauver- sini trajectenses morantur.
De hier in zijne kwaliteit van cauversinus genoemde bewoner was een Italiaansch koopman die zooals velen zijner landgenooten in de groote steden van Frankrijk, België en Engeland, handel dreven en voorschotten gaven op goederen. Hunne herkomst uit Noord-Italië deed hen veelal Zomöarden noemen. Het bovenbe- doelde huis wordt vermeld in het testament van zijn eigenaar, LEWALUS de lata platea, Luiksch schepen van 1291 tot 1298, die ook deze laatste naam als geslachtsnaam voerde; het behoorde in
(B Publications etc. Il, p. 24, 31. (2) Maasgouw 1889, p. 204.
— 88 —
1380 aan den schepen Everardus VAN VERNENHOLT en werd in de XIVe eeuw door de Lombarden verlaten om het daaraan gren- zende, voorheen aan de familie VAN MELDERT toebehoord heb- bende huis te betrekken. Tot in de XVI[° eeuw hadden de Lom- barden nog daar hun kantoor (1).
In 1296 (N° 43D) dragen Renerus, Perchevalus, Antonius, Homedeus en hunne gezellen, Lombarden te Tricht, een cijns over, te beuren uit diverse hun toebehoorende goederen.
In 1302 {Ne 54D) wordt in dezelfde straat een huis vermeld toebehoorende aan Nicolaas KERSELE, gelegen naast dat van Johannes Rovyr.
Bij N° 61D teekent Dr Doppler aan dat de St. Vincentius-kapel, gelegen in de Breedestraat tegenover de voormalige kerk der Jesuïeten, reeds vermeld wordt in de eerste jaren der XIII° eeuw. In de XVI‘ eeuw heet zij gelegen bijna tegenover de St. Nicolaas- kerk (naast O.L. V. kerk). St. Vincentius wordt elders martelaar genoemd. Heylerhoff (5) rangschikte ten onrechte deze kapel als onderhoorig aan het kapittel van O.L V. In N°7 W wordt betoogd dat de bewering van Alex. Schaepkens (3) juist is en de St. Vin- centius-kapel onder dat van St. Servaas ressorteerde. Die kapel zou volgens pastoor Willemsen waarschijnlijk gesticht zijn in de VII: eeuw doot St. Perpetus, Bisschop van Maestricht (4).
In 1307 (Ne 60D) wordt door den deken en het kapittel van St. Servaas opgedragen aan Godefridus KENTERKEN, priester, hun aandeel in een huis in de Breedestraat tegenover dat van Rycaldus DE PARONA.
In 1314 (N° 119 D) is er sprake van het woonhuis van Heleka of Heilka de weduwe van Rutgerus SUEVUS in de Breedestraat tusschen de #ansio, (heerenwoning) van Baldewinus.CAsEUs, schepen en het huis van Baldewinus DE PORTA. |
In 1317 (N° 150D) van het woonhuis dat Johannes de zoon van wijlen Nicolaus DE AUREA BARBA, schepen, in de Breedestraat bezat.
(4) FRANQUINET, /#vent. O. L. Vr. Il, p. 79.
(2) Annales 1829, p. 140 en N° 46F.
(8) Publications etc. 1. p. 54.
(‘) Zie omtrent hare ligging Annuaire 1829, p. 140 en N° 1123 D dat hierna volgt.
— 89 —
In 1322 (N° 177D) wordt het huis genoemd van Lambertus PROYTE tegenover de kapel van St. Jacob in de Breedestraat.
In 1322 (Ne 63W) wordt genoemd Winandus, geheeten Pape de latr platea (T) en het jaar daaropvolgend (Ne 64 W) Mechtildis de dochter van dezen, wonende in de Breedestraat.
In 1323 (Ne 58F) wordt de mansto van Franco VAN BOXBERGH en van zijn broeder Johannes genoemd als gelegen Zata platea. Die mansio werd later eigendom van den schepen ridder Arnoldus NUEST.
In 1324 (Ne 59F) komt voor het huis van Lambertus VAN ROLINGEN, schepen der stad, met al zijne gebouwen gelegen in de Breedestraat. In eene noot wordt medegedeeld dat die aanzienlijke woning later naar zijn nieuwen eigenaar °f huis van Groeselt (Gronsfeld) werd genoemd, (zie omtrent zijne ligging nabij de Heggenstraat Ne 729D) en hetzelfde is dat later bekend werd onder den naam van Poort van Rymborch, in welks tuin de over- oude kapel van St. Amandus lag (2); het geheele complex werd bij akte van 28 September 1593 door de toenmalige eigenaars Agnes VAN BYLANT, weduwe van den heer VAN BRONCKHORST, heer van GRONSFELT en RYMBORCH en haar zoon, geschonken aan de Jesuïeten (wier Rector Johan BEcXx van Helmond was), die zich in 1575 alhier gevestigd hadden.
In 1327 (N° 211 D) wordt genoemd in de Breedestraat het huis van ULEMANNUS, priester, bewoond door zijne moeder Adula (zie ook Ne 218 in 1328).
In 1329 (Ne 230 D) wordt een huis vermeld in de Breedestraat geheeten de aurea barba (de gouden baard).
In 1333 (Ne 256D) wordt in erfpacht gegeven aan Johannes GUETMAN een huis in de Breedestraat naar den kant der Kesenruwe (Heggenstraat) naast dat van Nicholaus rector der kapel van St. Livinus.
In 1337 (N° 312D) is er sprake van het brouwhuis van Johan- nes in de Preedestraat; deze Johannes was de schoonzoon van Truda DE VALLE, brouwsters het lag naast het huis de bonghart geheeten en dat van Egidius de Foro Cerasorum (van de Kerse- markt) priester.
manne nn en
(1) Zie ook FRANQUINET, Znvent. O. L. Vr. Il, p. 155. (2) Zie ook Annuaire 1830, p. 158.
In 1338 (N° 265 D) en ook in 1333 (N° 263 D) is er sprake van een huis in de Breedestraat, juxta ruelam Danielis Casei, gelegen tusschen dat van wijlen FRANCO, priester en dat van Henricus PELLIFEX.
In 1343 (N° 373D) wordt het huis met aanhoorigheden van Ghiselbertus DE RIEMPST in erfpacht gegevens het was gelegen in de Breedstraat naast dat van Johannes DE VALLE (zie in 1337 N° 312D), brouwer, en dat van Johannes FABRI en Arnoldus PEEPKEN, priester. In eene aanteekening boven den brief, van latere dagteekening, wordt den naam van den eerstgenoemde Giselbertus DE RYEMPT geschreven.
In 1344 (N° 109 W) wordt een cijns vermeld op het huis van wijlen meester Johan marscalci (hoefsmid) gelegen in de Breede- straat tusschen het huis van wijlen Gyselbertus DE RYMPsT thans eigendom van Arnoldus PEEPKEN, priester en dat van wijlen FRANCOR, priester (zie voorgaande).
In 1350 (N° 464D) is er sprake van het huis van Johannes genaamd ÎLLEKOVEN gelegen in de Breedestraat tusschen de kapel van St. Jacob en het huis van Lambertus DE CANNE.
In 1355 (N 512D) draagt de Aonesta matrona Geyrtrudis we- duwe van Henricus DE YSEREN (1) schepen van Tricht, met toe- stemming harer kinderen en van Franco DE HOLSBERCH, echt- genoot harer dochter Ida, eene jaarlijksche rente over aan de kapel van St. Vincentius in de Breedestraat, uit haar huis naast dte kapel en naast het huis De Zee gelegen. |
In 1366 (N° 717 D) woonde in die straat Johannes DE MERSEN, bakker. Zijn huis met toebehooren lag naast dat van Henricus HORREMORT, koopman. Uit eene aanteekening blijkt dat dit huis hetzelfde was dat in 1333 in erfpacht was gegeven aan Johannes GUETMAN (zie hierboven op 1333, N° 256 D, waar zijne ligging nader wordt omschreven). Laatstgenoemde was priester zooals blijkt uit Ne 718D.
In 1374 (N° 800D) woonde zu lata platea Mechtildis de dochter van wijlen Winandus PAPEN, den zoon van Balduwinus (?) die reeds vóór 1291 overleden was en den bijnaam droeg de lata platea.
ee — ee —
(: Zie over de DE YsEREN, Afaasgouw 1890, p. 86. (°) FRANQUINET, nent. O. L. Vr. Il p. 155.
_— 91 —
In 1379 (N° 850D) bewoonden Petrus DE SITTERT en zijne echtgenoote Bela in voormelde straat een huis tusschen dat van Henricus DE CLEIRMONT en de zich daar bevindende poort; hier mede zal waarschijnlijk de mausio VAN GROESELT bedoeld zijn, hterboven onder 1324 reeds vermeld.
In een cijnsboek van 1380 komt iu lata platea een huis voor de werelt genoemd naast dat van Arnoldus Purrus (U).
In 1395 {N° 973D) wordt genoemd als woenende in de breyt- straeter alze rentmeister ende ophelder der cense der eirsamer heren Dekens ende Capittels der kerken des gueden Sente Servais, Reyner VAN WESSEM, clerck.
In 1397 (N° 978D) het huis van Reyner KELLENER in de Breedestraat gelegen tusschen dat van [da PAPEN (zie in 1374) en dat van wijlen Reynken vaN WESSEM (zie in 1395).
In 1405 (Ne 1072D) is sprake van het huis voormaals bewoond door wijlen Lambrecht vAN HOERNE, priester, en thans door
Godart VAN SYNEY, priester, gelegen in de Breedestraat tusschen dat van Arnout VAN HELMONT en dat van Florens WYTHUYs, schepen der stad.
In 1410 (Ne 1123D) vinden wij de ligging der St. Vincentius- kapel vrij duidelijk omschreven; het geldt daar het huis waarin Peter VAN MONYOUWEN, priester en zijne moeder wonen en ge- legen was op den hoek onser Vrouwen cloester tegen Sinter Cloes kirke over, tusschen de voornoemde kapel en het huis van Peter VAN HOICHEM, de die alde cleider vercoupt.
In 1411 (Ne 1126D) vernemen wij dat evengemelde Godard VAN CYNEY, kapellaan der St. Servaaskerk was en dat het in 1405 bedoelde huis gelegen was iu de breydestrate nyet verre van Sinte Jacobs Capelle tusschen het huis van Arnold EELMAN den jonge en dat van Katryne VAN HELMONT. Dit blijkt ook uit N° 845 D.
In (1411 Ne 1131D) wordt nog genoemd een huis in die straat toebehoorende aan Arnold VAN DEN SWANE (later kwam het aan Judocus DE TonGris); het wordt omschreven als liggende naast dat van Arnold VAN ZYMPER op den hoek der Mannardsruwe. Deze straat wordt in 1363 (N° 690 D) geheeten de Heren Mannerts- ruwe bij vermelding van het erf van Florentius DE VINEA, zoon
(:) FRANQUINET, Znwent. O. L. Vr. II, p. 14.
— 92. —
van Goiswinus DE VINEA, dat in die straat lag naast het huis van Godefridus medica en dat van Petrus DE HAREN, wagenmaker. Ik heb te vergeefsch gezocht naar bescheiden die de juiste ligging dier straat nader omschrijven. Tenzij het een verdwenen straatje is kan het dunkt mij geen ander zijn dan het tegenwoordig Zan- taarnstraatje dat de Kapoen- en Breedestraten verbindt.
In 1369 (N° 756D) wordt ten minste vermeld een huis in de Kapoenstraat in erfrecht opgedragen aan Johannes DE HAREN, metselaar, het lag tusschen dat van Reynerus DE VINEA en dat van Arnoldus DE BLISEA genaamd PALLERE (zie bij de Kapoenstraat).
Franquinet (1) zegt dat hem de ligging dier straat onbekend js. Evenvermelde schepenbrieven, die hem waarschijnlijk onbekend waren, verspreiden echter licht over de quaestie.
In 1415 (Ne 1166D) wordt een huis in de Breedestraat vermeld tusschen dat van Coenrart VAN SCOENVORST heer van Elsloo en Sittard en dat van Mertyn, pister (bakker) van St. Servaaskapittel.
De open plaats van dat huis grensde aan de kapel stoende in den “hove van Groussel, waardoor zijne ligging nader wordt bepaald.
In 1418 (N° 1201D) wordt het huis van wijlen Johan VAN JULEYMONT opgedragen aan Jonker Beertram VAN LAER, schepen van Tricht.
In 1419 (N° 1212 D) komt het huis voor van Johan VAN MERSSEN, kanonik van O. L Vr. in de Breedestraat gelegen tusschen het huis van Reyner KELLENERS, priester, en dat van Reyner VAN BERGE, ridder.
In 1426 (N° 1268 D) wordt melding gemaakt van het huis van Jehenne BERNELLE in de brevdestraeten tusschen de poort die zij daarvan gescheiden had en het huis van Mechteld VAN DEN CREEFTE. Die poort gaf toegang tot een groot achterhuis staende neven den gueden Wilhelms VAN CHIEVEL.
Bovenvermelde brief is rijk aan beschrijvingen en nauwgezette conditiën.
In 1430 (Ne 1301D) wordt het huis vermeld van Giselbrecht VAN HERRE gelegen nabij St. Nicolaaskerk by Sinte Vincencys- capelle en geheeten zut ree, naast die kapel en het huis van Wil- helm SCHOENWEDER.
(1) Znvent. O9, L. Vr. Il p. 18.
— 93 —
In 1453 (N° 1415D) is er sprake van het huis van Vastrart
KOBBEN, kapellaan van St. Servaaskerk, gelegen in die breydestrate,
tusschen het huis van Johan VAN LEUT en dat VAN BOETSEN van Valkenborch.
In 1454 (N° 1423 D) van het huis teu wolckenberch in de Bree-
destraat gelegen tusschen het huis van Johan Beus en dat van BOETZEN van Valkenborch {zie hierboven in 1453).
In 1459 (N° 1464D) is er sprake van het huis met erf der juffrouwen VAN KESTELT, gelegen in de Breedestraat bij de St. Jacobskapel naast het huis van Arnt VAN NOORTBEKE.
In 1475 den 5 September, stierf te Zricht in die Breyde-stroet, tegen Synte PFacobs Gasthuys joncker Wyllem van Sombreff, heer te Kerpen ende tot Reckheym (1). Hij werd denzelfden dag begraven in het nonnenklooster van het H. Kruis te Reckheim in zijns ouders graf.
Van 1453 tot 1477 was brabantsch hoogschout te Tricht Forcker Jan CLUT én het Gruythuys. Dat huis door hem bewoond, lag in de Breedestraat op den hoek der Kesenruwe (Heggenstraat). Zoo teekent ten minste Franquinet aan in eene noot bij N° 263 (1506). In 1324 (Ne 59F) troffen wij op den hoek der Breede- en Heg- genstraten de poort van Groeselt of van Rymborch aan; deze zal gelegen hebben tegenover het Grupythuys dat mitsdien den hoek vormde naar den kant van het Vrijthof, De naam Gruythuis komt in de Middeleeuwen herhaaldelijk te Tricht voor, o. a. in de Kleine Staat, langs het Vrijthof, der grutersen huys, en bij Adam DAEMS int Gruythuys (3).
Het prachtige thans nog bestaande Gruuthuize te Brugge is een der aantrekkelijkheden der oude stad. |
In 1571 verkocht Peter VAN DAELE, rector der kapel van St. Servaas-gasthuis zijn huis in de Breedestraat aan Nicolaas WEERTS, schepen der stad. Het lag naast dat geheeten de gulden borch dat aan den kooper toebehoorde. De notarieele akte bevat bepalingen die bewijzen dat toen reeds eene Hinderwet bekend en toegepast werd (4).
(1) Publications etc. VII, p. 49.
(2) Zie over dat uitgebreid ridderlijk geslacht Jos. EvERSEN, Maasvouw 1890, p. 102. 8) Publications etc. I, p. 68 en FRANQUINET, Juwent. O. L. Vr. II, p. 11.
(+) Maasgouw 1906, p. 84.
— 94 —
In 1585 (N° 320F) wordt genoemd als wonende in de Breede- straat Cornelis THYMANS (alias notaris TAYMANS).
In 1575 verkregen de Jesuïeten een huis in de Breedestraat uit- komende in de Wolfstraat met name de Guldenboom waarbij zij weldra een aangrenzend huis voegden, de gjzeren of stalen poort genoemd, het lag aan de oostzijde der tegenwoordige Comedie. Deze gebou- wen tot schoollocalen ingericht, vormden het eerste collegie der Paters te Tricht; het telde reeds ín hetzelfde jaar 300 leerlingen. Zooals hierboven bij de bespreking van de poort van Rymborch reeds is gezegd kwamen de Jesuïeten in 1593 door schenking in t bezit van dat uitgestrekte goed waardoor zij in staat werden gesteld in 1606 na aankoop van nog twee huizen. in de Breede- straat hunne kerk aldaar;te stichten (2). De stad verleende hun daar- toe eene bijdrage van 600 guldens Luiksch die gelijdelijk in 1614 tot 3200 guldens werd opgevoerd ter erkenning der diensten die de Jesuïeten vooral op onderwijsgebied, aan de stad bewezen (3). In 1596 telde hun collegie 500 studenten, in 1617 600 en in 1619 klom het zelfs tot 700.
Ten einde het bewijs te leveren, dat de verhalen omtrent de algeheele verwoesting der stad in 1579 schromelijk zijn overdreven, getuigen de E.E. P.P. Haakman en Allard dat kort na het beleg van 1579 melding wordt gemaakt van geheele rijen huizen aan het Vrijthof en de belendende straten, dus ter plaatse waar de laatste en de meest verwoedste strijd gevoerd werd. De op- somming van de geheele rij van huizen die eens het collegie der Sociëteit van Jezus uitmaakte, van af de Wolfstraat tot aan de Heggenstraat, is hier op zijne plaats. Zij luidt: „het stalen Muts, den Gulden boom, het huis van de wed. Aert CONINCX, het huis van den secretaris CONINCX, het huis van burgemeester FALL, het huis van schout Maes, de Poort van Rymborch, het Gulden Varken en nog een paar andere huizen... Aan de overzijde o. a. de Poort van Reckem (in 1639 bewoond door den toenmaligen militairen commandant VON STEIN CALLENFELS), de Poort van
(1) VON GEUSAU, in Publications etc. XXXI, p. 85, 86. — Annuaire 1830, p. 147—153. (‘) Zij was toegewijd aan de -H.H. Petrus en Paulus. Met den bouw werd in 1611 aangevangen. (*) Zie nadere bijzonderheden bij Jos. HaBers, Gesch. Bisdom Roermond III, p. 636 540.
— 95 —
Meer enz... De woning van de wed. Aert CONINCX werd eenige jaren na 1583 voor de destijds aanzienlijke som van 3000 guldens verkocht. . ” (1).
Aan den noordwestelijken hoek der Jesuïetenkerk verhief zich oorspronkelijk in uitbouw een vierkante, bovenop platte toren ter hoogte van ongeveer vijf meter boven het dak, hij verdween toen de kerk in 1786 tot schouwburg werd ingericht. De collonade aan den zuidkant, afgebroken toen in 1880 den schouwburg ver- bouwd werd, was een overblijfsel van de portieken die de speel- plaats van het collegie omringde. Toen werd de reeds zoo her- haaldelijk en zoo deerlijk gehavende kerk, uiterlijk van hare laatste bouwkundige versieringen op brutale wijze beroofd door maar blootweg van den gevel die naar de Breedestraat uitziet, de spits en de zijkanten van den nok af te kappen!
De Maestrichter kunstenaarsfamilie COCLERS waarvan een der leden o. a. de zolderstukken van den Raadszaal schilderde, was gevestigd in de Breedestraat in het huis „de Pluym”, XVIIe en XVIII eeuw (°).
In 1640 werd de zetel der beide hooge gerechten, die gedurende slechts één jaar in de Poort van Gaveren (zie bij de Kapoenstraat) gevestigd was geweest, overgebracht naar de Poort van Reckheim in de Breedestraat (hierboven nog genoemd). Van Heylerhoff (*) zegt dat dat refugiehuis in zijn tijd het N° 808 droeg; nazoekingen ten Raadhuize bewijzen dat zulks het tegenwoordige N° 17 is, het voormalige pand van den heer W. Polis-Ryckelen, nu toebe- hoorende aan den heer Senator Louis Regout zoon. De Poort van Reckheim behoorde aan de Jesuïeten die het aan de Stad ver- huurden en in 1666 voor 8200 Luiker guldens verkochten.
In 1651 verpanden Aart OLISLEGERS en zijne echtgenoote Mag- dalena CLEUTERS hun huis gelegen in de Breedestraat naast dat van Ida GIELEN naar den kant van St. Jacob, en naast dat van Hendrik GEERARTS naar den kant van St. Nicolaas (1).
_—— —
(1) HAAKMAN en ALLARD, Het Beleg en de zoogenaamde Verwoesting van Maes- tricht, p. 104, 105.
(:) Zie Dr Dorrer's opstel in de dlaasgouw 1902, p. 81 en het mijne in de Maasgouw 1903, p. 83, 87.
(3) Jaarboek van het hertogdom Limburg, 1850, p. 248.
(* Archief Nieuwenhof.
— 96 —
13, Breulingstraat.
Zie bij Batterijstraat.
14. De Brugstraat. (Platea Pontis).
Eene bijzondere vermelding in deze straat verdient de aldaar gestaan hebbende kapel van -St. Evergislus, St. Evert in de volks- taal, met aangrenzend kerkhof, die in 1619 afgebroken werd; haar koor en toren lag aan de oude Bokstraat. De plaats waar zij stond wordt nog heden ten dage herdacht door den gevelsteen in het huis N° 8 genoemd zr ket kerckxken.
St Evergislus was geboortig van Tongeren en een leerling van St. Servaas. Het veelbelovend knaapje werd door den Bisschop van Keulen, St. Severinus, op zijne terugreis over Tongeren van de kerkvergadering te Parijs in 362 medegenomen naar Keulen. Naderhand besteeg Evergislus er den bisschopsstoel en werd hij bij gelegenheid eener reis naar zijn Vaderstad, alwaar hij den af- godendienst en de bedorven zeden wilde uitroeien, door zijn stadgenooten omstreeks 430 vermoord op de plaats die nog te Tongeren de Gruivelsteeg heet (1). Het lichaam van den martelaar verbleef er tot in het midden der X° eeuw toen het naar Keulen werd vervoerd (2). Onze voorouders zullen uit piëteit jegens den leerling van St. Servaas waarschijnlijk de kapel toen ten zijner eere opgericht hebben.
Volgens bewijzen van Franquinet heeft van Heylerhoff gedwaald door te beweren dat er ook eene kapel van St. Everardus op de Visschermaas, tegenover den ouden Lombard, gestaan heeft die in 1619 zou zijn afgebroken, terwijl hij de afbraak der Ævergislus- kapel in 1650 stelt (8).
(1) Jac. VRANCKEN, De &/ Servatins-legende, p. 110, 111; zie ook een opstel van denzelfden schrijver in de Maasgouw 1884, p. 1029.
(7) Annuuaire 1829, p. 140.
(*) FRANQUINET, Zavenf. O. L. Ir. I, p. 45; ook volgens nota's van den heer GORDON zou de afbraak in 1650 of 1651 hebben plaats gehad, Maasgouw 1884, p. 1919, vAN HEYLERHOFF zal wel hier afgeschreven zijn.
_ 97 —
Reeds in 1558 (1) werd de verbreeding der Brugstraat die eerst in 1873 ondernomen werd als noodzakelijk betracht, doch door de Magistraat immer met leedwezen uitgesteld wegens de hachelijke omstandigheden waarin de stad schier onafgebroken verkeerde Door de straat toch, voorheen niet breeder dan b.v. de Muntstraat, moesten weleer al de voertuigen hun weg naar de brug vinden die den eenigen overtocht over de Maas van af Luik tot in Hol- land daarstelde. Geheel het goederen vervoer tusschen Brabant en de landen van Overmaas moest derhalve door die straat geschie- den; geen wonder alzoo dat de drukte aldaar buitengewoon groot was en het begrijpelijk is, zooals ik in mijne jeugd door ouderen van dagen hoorde vertellen, dat op marktdagen eene onafgebroken rij karren en allerlei vrachtwagens van af den Tongerschen en den Brusselschen steenweg zich langzaam moest voortbewegen en er vaak uren verliepen alvorens de laatste voertuigen aan de beurt kwamen om over de Maasbrug te kunnen rijden. Ofschoon het vervoer per spoorwegen de brug en de Brugstraat aanmerkelijk ontlastte was toch de verbreeding der straat in onzen tijd eene onafwijsbare behoefte. In de Raadsvergadering van 30 Juni 1873 werd daartoe besloten nadat het wandalen plan om het Oude Dinghuis af te breken en zóó een nieuwe schuinloopende verbin- dingsweg met de brug daar te stellen, gelukkig had schipbreuk geleden. De verbreeding der Brugstraat sleepte echter na zich de onvermijdelijke afbraak van het oude gildenhuis dat zich aan de zuidzijde der straat vlak tegenover de Kleine Staat bevond, en destijds algemeen bekend was als het Huis-Gadet, daar het aan die oude Maestrichtsche familie toebehoorde. De gevel was een juweel van XV* eeuwsche renaissance-stijl, van vier verdiepingen door Alex. Schaepkens door teekeningen en etsen in zijne „Monu- ments de Maestricht” aan de vergetelheid ontrukt. Door de zorg van G. D. Franquinet werden van Gemeentewege de steenen zorg- vuldig geletterd, genummerd en opbewaard. Zorgeloos werden ze echter naderhand behandeld, immer werd uitgesteld om tot weder- opbouwing over te gaan, te vergeefsch trachtte ik daartoe de plaats te doen bestemmen die in 1895 was ledig gekomen door afbraak van het hoekhuis Groote en Kleine Staat tegenover het Dinghuis. …
(1) Pubications etc. VIII p. 445,
— O8 —
(dat terrein was te kostbaar!), toen op eens in September 1903 de mare de ronde deed dat de gevel van het Huis-Gadet, als puin was weggevoerd geworden! (1)
Dat het een publiek gebouw, eene Zuibe of gildenhuis is geweest schijnt onbetwistbaar; de ornementatie van den gevel, en ook het feit dat langs de voorzaal op de eerste verdieping een steenen bank langs den wand liep waren daar om zulks te bewijzen (2). Aan welk gilde de /uibe toebehoorde heb ik niet kunnen ontdek- ken, vermoedelijk is het die geweest „der jonghe schutten” of die der bontwerkers. Ik kom tot die veronderstelling naar aan- leiding van de beschrijving der voorzorgsmaatregelen die na afloop der Reliquiënvertooning den 9 Juli 1507 bij Raadsverdrag geno- men werden en waar aan de gewapende gilde- en ambachtsgezel- len met de schepenen aan hun hoofd de plaatsen van af het Vrijthof tot aan de brug aangewezen werden waar zij zich moesten opstellen. Na den post van 50 man aan het Dinghuis, wordt die van 25 man der „Jonghe schutten’’ genoemd op hon luebe en daarna dien van 25 man der handboogschutters opter bontwerckeren luebe (3).
Huizen in de Brugstraat en hunne bewoners.
In 1291 (Ne 33F\ trof ik voor het eerst die straat aan bij vermelding van het huis daarin aan de zuidzijde gelegen ex oppo- sito domus de cacabo naast het huis de oude waag (ad antiquam libram). De schrijver teekent daarbij nog aan dat dit laatste huis in de XIII en in het begin der XIVe eeuw geheeten werd ?z kuis van Spauden. Naar het patricisch geslacht DE CACABO, de latijn- sche naam van Kakkeberg, zou wel de straat kunnen genoemd zijn die de Ezelenmarkt met de Tongerschestraat verbindt ($.
In 1314 (Ne 53F) wordt het huis de clocreng (de Klokring) ge- noemd als gelegen in de Brugstraat bij de Brug.
In 1322 (6) wordt genoemd Mathias PARVUS, kapellaan of rector der kapel van St. Evergislus.
(1) Zie mijn desbetreffend opstel in den Limburger Koerier van 19 September 1903,
(2) Ook vAN HEYLERHOFF is van dat gevoelen, zie Faarbdoek 1846, p. 111.
(5) Publications etc. VII, p. 407, 408.
(*) FRANQUINET, Zuv. O. L. V. I, p. 67. — Een Henricus de Spauden, wever, wordt o.a. genoemd in 1320 (N° 165D).
(©) Ibid. I, p. 163.
— 99 —
In 1323 (N° 180D) wordt het bovenvermelde huis de Cacabo genoemd als liggende tegenover het huis Zeu scope.
In 1327 (Ne 215D) is er sprake van het huis van Johannes GHYVERMAN in de Brugstrrat tegenover dat van wijlen HOELBUEC.
In 1331 (N° 243D) van het huis „zn den Reg nboeck”, bewoond door Johannes DE GRANIA, sutor, (schoenmaker) en gelegen naast dat van Johannes genaamd HORRENMOERT.
In 1339 (N°323D) van het huis tegenover dat van Johannes genaamd FREYNS en tusschen dat van Johannes DE SANCTO GEORGIO, calcifex (schoenmaker) en dat van Katharina Bocris.
In 1340 (N° 335 D) wordt het evengenoemd huis gezegd vroeger bewoond te zijn geweest door Egidius KORNEN en tot twee huizen verbouwd te zijn, het eene bewoond door Johannes genaamd HORRENMORT, het andere door Johannes TYECWEVERE. (Zie ook N° 100 W).
In 1342 (N° 74F) is er sprake van het huis van Winandus vAN RETINGHEN, bewoond door Philippus VAN BASILISBUR; het lag aan de noordzijde der straat tegenover den toren van GOESMAR.
In 1343 (N° 378D) woonde in de Brugstraat Walterus DE LOVANIO, tegenover Johannes DE WEYRT, schoenmaker.
In 1346 (Ne 416 D) wordt eene rente vermeld gevestigd op het huis de cornu (het hoorn) gelegen nabij het kerkhof van St. Ever- gislus. Een huis dat dezelfde naam droeg zullen wij in 1379 in de Groote Staat aantreffen.
In 1350 (N° 462 D) komt voor het huis bewoond door Gerardus DE MERE gelegen nabij de kapel van St. Evergislus.
In 1351 (N° 463 D) is er weer sprake van het huis de Cornu.
In 1358 wordt als kapellaan der kerk van St. Evergislus ge- noemd Johannes DE VALLE.
In de notarieele acte uit 1358 door D" Doppler gepubliceerd (1) wordt het huis de Cornu wederom genoemd.
In 1366 (N° 201 W) wordt aan Wolter DE LOVANIO, bakker, afgestaan het hierboven in 1323 genoemde huis fen scope weer genoemd als gelegen tegenover het huis de Kakabo. (Zie ook in 1343).
In 1367 (N° 730D) wordt vermeld het huis van Johannes DE
(5) Maasgouw 1902, p. 46.
— 100 —
GALOPIA tusschen dat van Matheus, schoenmaker, en dat van Johannes DE WEYTHEYEN.
Uit N° 732D van hetzelfde jaar blijkt dat bovengenoemde Johannes DE GALOPIA te Wyck, dus in de Wyckerbrugstraat woonde; het aldaar door hem bewoonde huis was gelegen naast dat van Johannes HEXKEN, visscher.
In 1377 wordt in een cijnsregister meermalen vermeld een huis liggende contra turrim goesmari(t), een der beide torens die in XIVe: eeuw op den hoek van de Brugstraat en van de Kaarsen- markt lag.
In 1384 (Ne 878D) wordt aan Wilhelmus DE VLEYTINGIS, koopman, en zijne echtgenoote Gertrudis FREENs in erfrecht op- gedragen een huis naast dat van Johannes OYSLINCHEN, koopman, en naast het huis en bakkerij van Franco PARISYS van Stockheym.
In 1400 (N° 1028D) is er sprake van een huis in de brugge- strate naast dat van wijlen Johan VAN GUYLKE; dat huis behoorde aan Lambertus SCAEFDRYSCHE en Johan VAN DEN AUDENARE.
In 1413 (N° 1145 D) worden twee huizen in die straat genoemd liggende nabij de kapel van St. Evergislus.
In 1415 (N° 1170D) is sprake van het huis van Ide CLUTS, tusschen dat van Pape ARNOLDS, kramer, en dat van Danyel VAN VLEYTINGEN, schoenmaker (zie op 1382).
In 1416 (Ne 1181D) van het huis van wijlen Godard. VAN HUYNE, kramer, gelegen naast dat van Johan VAN BRYEDE den jonge, schoenmaker, dat van Arnold vAN BYECHT en dat van Cloes VAN HAVERT.
In 1423 (N° 1247 D) het huis van Johan vAN BREDE, schoen- maker, tusschen de huizen van Lambrech SCOENBROET en Joest VAN HUYE.
In 1430 (N° 183 D) wordt de kapel van St. Evergislus genoemd der capellen des gueden Sinte Thevers.
In 1439 (N° 1339 D) is er sprake van het huis van Gerart VAN SUETENDALE, cremer, tusschen dat van Johan PAPE ARNOLTS en dat van wijlen Peter ACKERMANS (zie in 1415).
In deze straat was in 1443 het stokgoed gelegen der naderhand zoo beroemd geworden Maestrichtsche patricische familie PROENEN
(1) FRANQUINET, Zuvent. O. L. Vr. I, p. 181.
— 101 —
of PRUYNEN. In dat jaar toch wordt zu vico Pontis Aerdt (Arnoldus) PROENEN als burgemeester van Luiksche zijde aangetroffen. In 1452 was een Aerdt PROENEN, waarschijnlijk dezelfde, burgemees- ter ook van Luiksche zijdes hij woonde in die Brugge een huis dat vermoedelijk in de Wyker Brugstraat lag. Van 1512 tot 1521 bekleedde een Dionys PROENEN herhaaldelijk hetzelfde ambt; van Brabantsche zijde in 1478 wederom een Art PROENEN (U).
Arnoldus PROENEN was met Jan VLEMINCK Sr, ook Maestrich- tenaar, en Erasmus SCHETZ, onderling door innige famikiebetrek- kingen verbonden, lid der machtige bankiersfirma, hièr en te Antwerpen gevestigd. In hun testament van 16 Februari 1527 schreven de echtelieden Jan VLEMINCK Sf en Agnes SCHETZ over Erasmus SCHETZ en Aerdt PROENEN dat zij met den eerste als hun neef en met den tweede als hun zwager „langhe in metge- „selschap zyn geweest ende noch op datum blyven, ende ook ons „beste goet van Joncx op te samen gewonnen hebben, oock onsen „besten tydt met malcanderen vesleten”.
Erasmus SCHETZ was vermoedelijk afkomstig van Oirsbeek alwaar zijne familie eene hoeve bezat Schatsleen of Schatshof ge- naamd. Hij huwde in 1511 met Ide VAN RICHTERGEM, de zuster van Catharina, die gehuwd was met den natenoemen Conrad vAN GAVERE, heer van Elslo.
Ofschoon Aerdt PROENEN evenveel schijnt bijgedragen te hebben tot den bloei der bank is Erasmus SCHETZ de beroemdste van het drietal geworden. Aan zijn huis in Antwerpen stapte de keizer en de grooten van dien tijd af; zijne afstammelingen werden door echtverbintenissen opgenomen in den hoogsten adel van Europa en begiftigd met de schitterendste adelsdiplomen. Zijn zoon Kaspar huwde met Catharina D'URSEL, en zijne afstammelingen noemden zich later en heden nog graven en hertogen van URSEL.
Ook Aerdt PROENEN werd te Antwerpen, waar hij zich had gaan vestigen, een man van groot aanzien. De Pruynenstraat wordt er heden nog naar hem genoemd.
Een tak der familie bleef echter te Maestricht en was er vóór en na het beleg van 1579 (2) talrijk vertegenwoordigd. De PROE-
(1) Maasgouw 1884, p. 1031, 1032; 1885, p. 1035, 1036. (7 HAAKMAN en ALLARD, Beleg van 1579, p. 223, waar o.a. Aerdt voor 1579
voorkomt als gouverneur der lakenscheerders, en een Renier als gewantmaker. 7
— 102 —
NEN’s behoorden er steeds tot de meest aanzienlijke families. In 1561 was Aerdt PROENEN schepen der stad en in die hoedanig- heid tegenwoordig bij het opmaken van het testament in de Poort van Gaver (Kapoenstraat) van de echtelieden Conrad vAN GAVER en Catharina VAN RICHTERGEM, beide zijne naastbestaanden. In 1651 en volgende jaren was Daniel PROENEN hier gezworene van Luiksche zijde; Aerdt PROENEN schepen van Brabantsche zijde in 1628; Jan-Baptist PROENEN schepen van Luiksche zijde in 1690. Ook bloeide de familie nog lang in de omstreken van Maestricht (1).
In 1455 (N° 1423 D) is er sprake van het huis van Jacob Hurp- MEKER, ? die Brugstrate gelegen naast dat van Johan VAN BUELSBEKE.
In 1533 tijdens de anabaptistische woelingen woonde er in die Bruckstraet int raet van Avonture een zekere Jan VAN DEN BOSSCHE, die heimelijk gedurende zeven of acht nachten verblijf had ge- geven aan een zekere Cornelis VAN KOUWERKERKE, afvallig priester uit Zeeland, wegens zijne opstokingen door het gerecht vervolgd. Speciale politiediensten werden ter voorkoming van aanrandingen genomen. Zoo werden er in de raadskamer „drie dosienen halle- „barden en cyne dosiene barisoenen” beschikbaar gehouden om tegen diegene te dienen, „die dese guede stat ende haren gueden „burgeren arch, quat off ovel aandoen muechten” (+).
In 1577 woonde in de Brugstraat een Gielis VAN BEECK (3).
In 1711 werden in de Brugstraat een huis gebouwd met het chronicon tot opschrift
sVCCeDentIVM
d. w.z. der opvolgers; het werd afgebroken voor ’t daarstellen van het Luikerkanaal (4).
(1) Zie voor meer en uiterst belangrijke bijzonderheden de studie van Pastoor MEULLENERS in de Public. XXVII, p. 307 en volgenden alwaar ook de hier aange- haalde testamenten in extenso zijn opgenomen. Over de drie zonen van Erasmus zie L. GUICCIARDINI, Description des Pays-Bas, p. 145. Lancelot ScHETZ graaf van Grobbendonk komt o. a. voor: Public. XIV, p. 200.
Bijzonderheden over afstammelingen en naaste bloedverwanten van Aert PROENEN in ’t begin der XVI: eeuw, zijn te vinden Publications etc. XXXIX, p. 45.
(2) J. Harers, de Wederdoopers, p. 74, 16.
(8) HAAKMAN en ALLARD, Beleg van 1579, p. 183.
(*) Maasgouw, 1880, p. 270.
— 103 —
15. De Brusselsche of Tweebergenstraat. (Duobus Montibus).
Nergens heb ik kunnen ontdekken waaraan den naam Zweebergen zijn ontstaan te danken heeft; wel meent van Heylerhoff (1) dat die benaming is toe te schrijven aan het feit dat in de eerste eeuwen van het bestaan der stad twee heuvelen door eene brug verbon- den tot verdediging der oude poort dienden, doch dit is slechts eene gissing.
De genoemde schrijver herinnert er aan (@) dat de stadspoort van de ommuring van 1229 eertijds de Wpmeringe poort geheeten werd als leidende tot de met wijnstokken beplantte oostelijke helling van den Caberger berg die thans nog wel den Wyugaar:!s- berg genoemd wordt (8).
Jhr. Victor de Stuers deelde mij zijn vermoeden mede dat door samentrekking van Ze Wynbergen en latere verbastering van het nieuw ontstane woord, wel Zweebergen zou kunnen in gebruik geraakt zijn. Deze naam ofschoon in onze landtaal op velerlei wijze geschreven was in ’t latijn steeds van af de XiIl® eeuw Duobus Montibus; daar het bij gebrek aan zekere gegevens niet mogelijk is verder opteklimmen dient men zich wel te vergenoegen met de medegedeelde gissingen.
Overal waar in de onderstaande aanhalingen de naam dezer straat op eigenaardige wijze is geschreven heb ik de oorspronke- lijke spelling weergegeven.
Omstreeks 1297 kwam de uitlegging der stad door het bouwen van den nieuwen ringmuur tot stand; in het daaropvolgend jaar werd met het oprichten der nieuwe Tweebergen-, later Brussel schepoort, begonnen; reeds in 1300 was zij voltooid (*). Dien- tengevolge werd de reeds lang bestaande heerlijkheid Zweebergen,
(1) Annuaire 1825, p. 109.
( Ibid. p. 115.
(*) Over wijnbouw te St. Pieter en te Caberg komen in oude stukken veel merk- waardige bijzonderheden voor; zie o.a. het opstel van Jos. HABETS, Publications etc. UI, p. 380.
(*) Annales 1, p. 95; de poort werd herbouwd in 1427. — In het merkwaardige verhaal van het beleg van Maestricht door Parma in 1579 van de hand van den Heer Eerste Luitenant H. DYsERINCK (Pubticattons etc. XLI, p. 147) wordt deze poort op p. 180 ook de Driesterpoort genoemd.
— 104 —
waarvan de Proost van St. Servaas de Dominus temporalis was, in de stad ingesloten. Zij was geheel door de heerlijkheid Lenculen begrensd en werd volgens eigen wetten bestuurd; de zetel van het gezag let hof van Tweebergen wordt in 1070 (1) gezegd gelegen te hebben in het midden der straat. Zij wordt ook wel de Schoo/e genoemd omdat de rechtbank van den Proost oudtijds voor de schoal van het kapittel gespannen werd (2).
De Heerlijkheid Zweebergen bestond voorheen uit de tegen- woordige Brusselsche straat, de Jekerstraat en eenig land buiten den walmuur. De nieuwe straat, waarin zich even als thans nog, uitgestrekte onbebouwde bezittingen bevonden, bleef den oorspron- kelijken naam van Zweebergen dragen tot in de XVIII: eeuw (9), toen ze de Brusselsche straat genoemd werd.
De patricische familie DE DUOBUS MONTIBUS, VAN TWEEBERGEN wordt vaak in de schepenbrieven vermeld; zij had hier haar stok- goed benevens vele andere bezittingen. Reeds in het begin der XIII: eeuw wordt een Ridder DE Duogus MonrrBus aangetroffen (#)-
De oute Tweebergenpoort was gelegen aan den ingang der straat, in den stadsmuur van 1229 waarvan daar ter plaatse, achter St. Servaasklooster en achter de zuidelijke huizenrij der Groote Gracht nog vele overblijfselen zichtbaar zijn. Een der torens dier poort bestaat nog gedeeltelijk achter het huis de drie liters en zou neg wel in zijn vorigen vorm te herstellen zijn. Aan de overzijde is langs de straat een ander gedeelte der poort eveneens nog zichtbaar.
Die poort waarboven zich toenmaals de Zwide der leemplakkers bevond, werd in 1736 afgebroken.
Het uitgestrekte gebouw met groote tuinen, aan den ingang der Brusselsche straat gelegen dat thans tot Rijkskweekschool voor onderwijzers dient, was aanvankelijk, sinds wanneer is niet bekend, een refugiehuis van de adelijke kanonnikessen van Munsterbilsen; het kwam uit aan een klein straatje dat naar den stadswal leidde
(1) Afaasgouw 1886, p. 9.
(2) Publications etc. XIX, p. 379.
(*) Zie hieronder de limietbeschrijving van 1720.
(4) Genealogische bijzonderheden over deze familie door FRANQUINET zijn te vinden in Publications etc. XIV, p. 125 en eene aanvulling door D' DorPrLER in
Publications etc. XXXVII, p. 198.
— 105 —
en in 1537 als het Her Aert Craichs stroetgien bekend stond; in 1598 werd het door de stadsregeering tegen betaling eener recog- nitie van één gulden aan „Mevrouw van Munsterbilsen” afge- staan, het heette toen Mardemans rouwe (1).
Tijdens ’t Serclaes, graaf van Tilly, gouverneur der stad was (1718 tot 1724) deed hij op het terrein der refugie, door hem aangekocht, een hôtel bouwen dat hij bij testament ter beschik- king stelde van de Commissarissen-Deciseurs van Luiksche zijde, bij hunne komst om de twee jaren alhier (2). De graaf en de gravin van Tilly waren weldoeners van Maestricht en inzonder- heid van de St. Servaaskerk.
Ofschoon het hôtel reeds sedert het begin der XIX° eeuw een rijksgebouw is dragen vele zalen nog duidelijke sporen van voor- malige deftigheid; dit was ten minste nog het geval toen ik er eene halve eeuw geleden school ging. In. weerwil van zijne tegen- woordige bestemming is het nog steeds onder den naam van Hof van Tilly bekend, die als het ware synoniem is van Rijks Lagere school, even als b.v. de „Minderbroedersberg” in den volksmond synoniem is van „weg ter gevangenis”.
Toen de religieuzen van het adellijk klooster van St. Gerlach te Houthem hun refugiehuis in de Stokstraat, nabij de ©. L. V. poort, wegens zijn bouwvalligheid verlaten moesten, kochten zij in 1731 een huis op de Brusselsche straat dat zij echter slechts tot 1771 behielden; zij verkochten het toen aan Hendrik Martinus NYPELS, griffier van den Hoogen Leenzale van Sint Servaas. Later kwam het in bezit van LOYSEL, fournisseur des armées, die het omstreeks 1800 tot één huis uit vier huisjes verbouwde. Daarna werd het in huur bezeten eerst door den generaal der genie CROISET, toen door den generaal DE STUERS, wiens zoon Jhr. Victor DE STUERS er thans nog eigenaar van is.
Tijdens de akte van verkoop in 1771 bestond het reeds uit een ruim huis, remise, stallingen en verdere ap- en dependentiën; het wordt er omschreven als Kef Refugie van St. Gerlac, „reynende „naer den westen, het huis genaamt de Belle, d'ander zyde d’heer „KEYZER” (3).
tn mn en eme
(1) Maasgouw 1883, p. 815, zie ook bij de Groote Gracht. (2) Faarboek 1851, p. 266. (8) Maasgouw 1903, p. 9.
— 106 —
Het gasthuis en de kapel van St. Nicolaas op de 7weebergen- straat aan den ingang der Kommel gelegen, wordt in het testa- ment van LEWALLUS in 1265 als „het nieuwe gasthuis te 7wee- „bergen” genoemd; hij vermaakte er eene som gelds en cen bed aan (1). Onder meer wordt het ook in 1302 (Ne 46 F) en in 1315 (Ne 912D) vermeld.
Het gasthuis verdween met nog andere liefdadigheidsinstellingen in de XVIe eeuw.
De kapel werd in 1612 vernield bij den grooten brand die de geheele huizenrij op de Brusselschestraat vanaf de Jekerstraat tot aan den Kommel in asch legde (?).
Het gasthuis van St. Nicolaas gaf zijn naam aan eene stadspoort die tusschen de nieuwe Tweebergen- en de nieuwe Lenculenpoort gelegen was. P. de Heer zegt dat zij ten zijnen tijde gedurende eenige eeuwen dichtgemetseld was en in ongebruik gebleven is; zij zou, meent hij, slechts als nooduitgang hebben dienst gedaan voor de werklieden die aan den bouw der nieuwe omwalling arbeidden (8). Zij stond nabij den Hackenkamertoren, naderhand meer bekend als Abrahamslook.
Van Hevylerhoff deelt mede (£) dat ze op eene kaart tijdens de fransche bezetting van 1673 tot 1678 onder den naam van St. Nicolaaspoort nog voorkomt. . |
Het vermelde in 1401 (N° 528D) waar te Zweebergen sprake is van een ruweke ghoende ten hoevewart van wijlen Daniel VAN EYNENBERCH (5) doet veronderstellen dat dat straatje nabij de oude Tweebergenpoort lag en eene verbinding daarstelde met den tuin van de „poort” van Ridder Daniel VAN EYNENBERCH die wij in de Bouillonstraat (het Balioen) aantroffen. De vraag of die „poort” aldaar aan de zijde van het Gouvernement dan wel daar tegenover lag, meende ik aanvankelijk in den eersten zin te moeten beantwoorden; bovenstaande gegevens pleiten evenwel voor het explacement van het tegenwoordige groote huis met vóórtuinen van den heer van Ryckevorsel.
() Maasgouw 1895, p. 79.
(2) Zie hieronder in 1612 en ook bij de Kokartsruwe.
(3) Annales 1, p. 99.
($) Annuaire 1826, p. 98.
(5) Wordt reeds in 1363 genoemd in N° 186 W. Zie bij de Bouillonstraat.
— 107 —
Het vermelde in 1371 (Ne 223 W) spreekt dat vermoeden niet tegen, terwijl de omschrijving van 1326 duidelijk spreekt van een straatje gelegen „nabij de binnenste poort van Tweebergen en „achter den toren” (die achter de drie Liters nog bestaat).
De straat by der poerten waarvan sprake in 1399 (N° 1020 D is waarschijnlijk het hierboven bedoelde ruweken, tenzij het de Zak- straat mocht zijn.
Volgens het aangehaalde in 1320 kwam op de Zweebergeustraat nog een ander sinds lang verdwenen straatje uit, slechts gedurende weinige jaren bekend